ECLI:NL:GHARL:2021:707
public
2021-02-08T08:23:10
2021-01-26
Raad voor de Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-01-26
Wahv 200.251.942
Hoger beroep
NL
Leeuwarden
Strafrecht
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:707
public
2021-02-08T08:22:37
2021-02-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:GHARL:2021:707 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-01-2021 / Wahv 200.251.942

Artikel 5 Wahv. Het vaststellen van de identiteit van de bestuurder kan ook op andere wijze plaatsvinden dan met een legitimatiebewijs. Er is niet aannemelijk geworden dat de bestuurder valse gegevens heeft opgegeven.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.251.942/01

CJIB-nummer

: 212379583

Uitspraak d.d.

: 26 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.251.942/01

CJIB-nummer

: 212379583

Uitspraak d.d.

: 26 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.251.942/01

CJIB-nummer

: 212379583

Uitspraak d.d.

: 26 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.251.942/01

CJIB-nummer

: 212379583

Uitspraak d.d.

: 26 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.251.942/01

CJIB-nummer

: 212379583

Uitspraak d.d.

: 26 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.251.942/01

CJIB-nummer

: 212379583

Uitspraak d.d.

: 26 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 7 december 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Als bromfietser bij ontbreken fiets/bromfietspad niet de rijbaan gebruiken” (feitcode R311). Deze gedraging zou zijn verricht op 15 november 2017 om 19:47 uur op de Spoorstraat in Gouda met het voertuig met het kenteken [YYY-00-Y] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd. De betrokkene is namelijk niet degene die is staande gehouden. Kennelijk heeft iemand anders (wellicht een broer) zijn gegevens opgegeven. De ambtenaar verklaart dat sprake was van een bezorgbrommer. De betrokkene was op het moment van de gedraging niet in het bezit van een rijbewijs. Het is dan ook niet aannemelijk dat hij als bezorger zou zijn aangenomen. Op grond van artikel 5 van de Wahv wordt de sanctie opgelegd aan de kentekenhouder indien niet aanstonds kan worden vastgesteld wie bestuurder is. Het vaststellen van de identiteit geschiedt op basis van de Wet op de identificatieplicht (Wid). Op grond van artikel 1 van Wid kan de identiteit worden vastgesteld aan de hand van een Nederlandse identiteitskaart, een vreemdelingendocument, een paspoort of een rijbewijs. Nu de identiteit van de bestuurder niet aanstonds, dat wil zeggen bij de staandehouding, kon worden vastgesteld conform artikel 1 van de Wid had de sanctie niet aan de bestuurder, maar aan de kentekenhouder moeten worden opgelegd. Dat later alsnog een identiteitsbewijs van de betrokkene is overgelegd doet daar niet aan af. Daarmee is immers nog steeds niet vast komen te staan dat de betrokkene de bestuurder van de bromfiets was.

3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Betrokkene reed met bromfiets over het fietspad. (…)

Medegedeeld dat een valse naam strafbaar is. Zijn eigen geboortedatum, naam en adres. Daarna de naam en de geboortedatum van de inwonende. Op alles werd goed geantwoord.”

4. Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 februari 2018, waarin de ambtenaar voor zover relevant het volgende verklaart:“Op 15 november 2017 omstreeks 19:47 uur zag ik dat er een bezorgbrommer mijn richting op kwam rijden. Ik zag dat de brommer over het verplicht fietspad ging van de Spoorstraat in de richting van het centrum. Ik zag dat het om een bromfiets met een geel kentekenplaatje ging. Dit betekent dat de bestuurder van de brommer hier niet mocht rijden en op de daarnaast gelegen doorgaande weg had moeten rijden. De bestuurder van de brommer staande gehouden. Ik zag dat het kenteken [YYY-00-Y] betrof. Ik deelde de bestuurder mede dat hij een bekeuring kreeg voor het rijden over een verplicht fietspad. Hierop vroeg ik om het rijbewijs van de bestuurder. Ik hoorde dat de jongen zei dat hij deze nog niet had. Hierop gevraagd of hij een ander legitimatiebewijs bij zich had. Ik hoorde dat dit ook niet het geval was. Hierop deelde ik de jongen mede dat ik zijn gegevens wilde hebben en dat het opgeven van valse gegevens strafbaar is. Ik hoorde hierop dat hij al zijn personaliagegevens opgaf. Hierop meerdere controlevragen gesteld met betrekking tot de medebewoners. Hier werd allemaal goed op geantwoord. Ik had te maken met [de betrokkene] van [geboortedatum] 2000 te [A] .

Echter, bij het inzenden van de bekeuring via het digitale politiesysteem werd deze afgekeurd. Hierop contact opgenomen met de moeder van de jongen. Deze is enkele dagen later langsgekomen met een geldig Nederlands legitimatiebewijs. De persoon van het bewijs betrof de bestuurder. Bekeuring uiteindelijk digitaal ingezonden met een kopie van het legitimatiebewijs.

5. Als bijlage bij dit proces-verbaal is een kopie gevoegd van een Nederlandse identiteitskaart op naam van [de betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 2000, met daarop de handgeschreven tekst “getoond woe 22-11-2017 tijd 17:26 uur”.

6. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

7. Het hof ziet in de wijze waarop de ambtenaar de identiteit van de bestuurder heeft vastgesteld geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de betrokkene degene is geweest die is staande gehouden. De enkele niet onderbouwde stelling dat iemand anders (wellicht een broer) kennelijk de gegevens van de betrokkene heeft opgegeven is daartoe onvoldoende. Ook de omstandigheid dat de betrokkene op het moment van de gedraging zijn rijbewijs nog niet had geeft geen aanleiding tot twijfel, te meer nu uit de verklaring van de ambtenaar juist blijkt dat de bestuurder tijdens de staandehouding heeft gezegd dat hij nog geen rijbewijs had. Anders dan de gemachtigde meent is de ambtenaar niet verplicht om de identiteit van de bestuurder vast te stellen conform artikel 1 van de Wid, maar kan deze ook op andere wijze worden vastgesteld. Bovendien heeft de ambtenaar - zij het achteraf - wel degelijk aan de hand van een in artikel 1 van de Wid genoemd document, te weten een Nederlandse identiteitskaart, vastgesteld dat de betrokkene de bestuurder was. Aldus staat naar het oordeel van het hof vast dat de betrokkene degene is geweest die is staande gehouden.

8. Subsidiair voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat ten onrechte een sanctie is opgelegd voor de gedraging met feitcode R311 (als bromfietser bij ontbreken fiets/bromfietspad niet de rijbaan gebruiken). De ambtenaar verklaart immers dat er juist wel een fietspad was, wat ook door de bromfietser werd gebruikt. Dat de rijbaan niet werd gebruikt terwijl een fietspad ontbreekt, strookt dus niet met de feitelijke omstandigheden. Aldus is ten onrechte feitcode R311 gebruikt.

9. De gedraging met feitcode R311 betreft de overtreding van artikel 6, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In het eerste lid van artikel 6 van het RVV 1990 is bepaald dat bromfietsers het fiets/bromfietspad gebruiken. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat bromfietsers de rijbaan gebruiken indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.

10. Het hof stelt vast dat de stelling van de gemachtigde berust op een onjuiste uitleg van het begrip fiets/bromfietspad. Een fiets/bromfietspad is (anders dan een fietspad) bestemd voor zowel fietsers als bromfietser en wordt aangegeven door middel van een bord G12a van bijlage 1 bij het RVV 1990. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat ter plaatse sprake was van een verplicht fietspad en dus niet van een fiets/bromfietspad. De betrokkene had als bromfietser dan ook de rijbaan moeten gebruiken. Hij reed echter op het fietspad. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging met feitcode R311 is verricht.

11. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.