Bebording aanwezig? Het hof herhaalt dat (anders dan wanneer de gedragingen geautomatiseerd is vastgesteld) bij een ambtenaar die ter plaatse een gedraging constateert, verondersteld mag worden dat hij de bebording heeft gecontroleerd, ook als de snelheidsmeting vanuit een rijdend (volgend) voertuig plaatsvindt.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer : Wahv 200.251.003/01 CJIB-nummer : 211484530 Uitspraak d.d. : 6 januari 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.251.003/01 CJIB-nummer : 211484530 Uitspraak d.d. : 6 januari 2021 |
|
Zaaknummer : Wahv 200.251.003/01 CJIB-nummer : 211484530 Uitspraak d.d. : 6 januari 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.251.003/01 CJIB-nummer : 211484530 Uitspraak d.d. : 6 januari 2021 |
|
Zaaknummer : Wahv 200.251.003/01 CJIB-nummer : 211484530 Uitspraak d.d. : 6 januari 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.251.003/01 CJIB-nummer : 211484530 Uitspraak d.d. : 6 januari 2021 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 19 september 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft wel aanvullende stukken overgelegd. Deze zijn (in kopie) gestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene, waarbij hij de gelegenheid heeft gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, de hoorplicht is geschonden. Hiertoe wijst de gemachtigde erop dat in de inleidende beschikking geen informatie is opgenomen over het horen, terwijl ook overigens van de zijde van de officier van justitie geen mededelingen omtrent het horen zijn gedaan.
2. Artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de officier van justitie de mogelijkheid om van het horen af te zien wanneer de indiener van het beroepschrift niet binnen een door de officier van justitie gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
3. Het is het hof ambtshalve bekend dat in de op 11 juli 2017 nieuw ingevoerde inleidende beschikking een verwijzing naar het doen van een verzoek om te worden gehoord door de officier van justitie ontbreekt. Ook is de betrokkene, na het instellen van administratief beroep, niet erop gewezen dat hij, als hij wilde worden gehoord door de officier van justitie, daartoe een verzoek moest doen. Gelet hierop kon de officier van justitie niet op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb van horen afzien. Ook de andere uitzonderingsgronden van artikel 7:17 van de Awb doen zich hier niet voor. Nu de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, heeft de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand gelaten.
4. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, net als - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - de beslissing van de officier van justitie. Vervolgens zal het hof de verweren tegen de inleidende beschikking beoordelen.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd
van € 250,- voor: “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 28 km/h (verkeers-
bord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 oktober 2017 om 21:15 uur op de Rijksweg A4 in Rozenburg met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
6. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging. De tekst in het zaakoverzicht is geen ambtsedige verklaring, zodat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Omdat daarmee ieder relevant bewijsstuk ontbreekt staat ernstig ter discussie of de apparatuur die is gebruikt ten behoeve van het vaststellen van de gedraging wel was geijkt en ook overigens daarvoor was aangewezen, aldus de gemachtigde. Dat betekent dat de sanctie naar de mening van de gemachtigde ten onrechte is opgelegd. Tot slot betwist de gemachtigde de aanwezigheid van deugdelijke bebording ter plaatse ten tijde van het constateren van de gedraging. Van een verkeersbord dat aldaar een maximumsnelheid van 100 km/h geldt is geen sprake, zodat ter plaatse de gebruikelijke maximumsnelheid van 130 km/h van kracht is, aldus de gemachtigde.
7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor onder meer een gedraging die door deze ambtenaar zelf is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Een ambtsedige verklaring is niet vereist. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“'De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig, door bestuurder met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen.
Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 140 km per uur.
Snelheid volgens kalibratietabel: 133 km per uur.
Werkelijk (gecorrigeerde) snelheid: 128 km per uur.
Toegestane snelheid: 100 km per uur.
Overschrijding met: 28 km per uur.
Meetafstand: 1.200 m.
Tussenafstand: 50 m.
Goedkeuring kalibratie boordsnelheidsmeter geldig tot: 06-07-2018”.
9. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting en de daarbij gebruikte meetapparatuur. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat de in het zaakoverzicht vermelde gegevens op dat punt niet juist zijn.
10. Voor zover de gemachtigde de aanwezigheid van deugdelijke bebording betwist, merkt het hof op dat in deze zaak geen sprake is van een statische trajectcontrole of een vaste flitspaal, maar dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd zelf ter plaatse was. Zie in dit verband het arrest van het hof van 28 februari 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:1803. In zijn algemeenheid mag in zo’n geval worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is, zodat in een dergelijke zaak doorgaans geen schouwrapport nodig is. Dat is slechts anders wanneer de aanwezigheid van de bebording gemotiveerd wordt betwist, hetgeen in casu niet het geval is. Op basis van voormelde verklaring van de ambtenaar mag ervan uit worden gegaan dat ten tijde van het vaststellen van de gedraging deugdelijk bebording aanwezig was.
11. Een en ander betekent dat de gedraging in de onderhavige geval op grond van de beschikbare gegevens kan worden vastgesteld en dat de sanctie terecht is opgelegd.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
13. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.