ECLI:NL:GHDHA:2021:935
public
2021-05-20T13:22:27
2021-05-20
Raad voor de Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2021-04-20
200.282.835/01
Hoger beroep kort geding
NL
Den Haag
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:935
public
2021-05-20T13:19:52
2021-05-20
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:GHDHA:2021:935 Gerechtshof Den Haag , 20-04-2021 / 200.282.835/01

Kort geding voorlopige zorgregeling. Bestreden vonnis inmiddels ingehaald door gelijkluidend vonnis in de bodemzaak, waartegen geen hoger beroep is ingesteld.

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.282.835/01

Zaaknummer rechtbank : 599076/KG ZA 20-540

arrest van 20 april 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S.C. Köbben te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.R. Arema te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 7 september 2020 is de man in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Rotterdam, tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 12 augustus 2020, hierna: het bestreden vonnis. In de appeldagvaarding heeft de man één grief aangevoerd.

Bij memorie van antwoord met een productie heeft de vrouw de grief bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld.

De man heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel.

De man heeft een mondelinge behandeling verzocht. Deze is bepaald op 11 maart 2021. Partijen zijn met hun advocaten verschenen en hebben de zaak toegelicht. De advocaat van de man heeft pleitnotities overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof zal, met instemming van partijen, arrest wijzen op basis van het door de man overgelegde procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2011 te [plaatsnaam] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit.

Partijen zijn in 2013 een regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedtaken, kort gezegd zorgregeling, overeengekomen waarin [de minderjarige] bij de man is:

- elke woensdagmiddag na school tot en met donderdagochtend;

- om het weekend van vrijdag na school tot en met zondagavond; en

- in de schoolvakanties de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw.

De man heeft in mei 2020 een bodemprocedure bij de rechtbank Rotterdam aanhangig gemaakt waarin hij om een uitbreiding van deze zorgregeling verzoekt. De vrouw heeft in juli 2020 een kort geding aanhangig gemaakt, strekkende tot opschorting van de zorgregeling. Daarop is het bestreden vonnis gevolgd. De man kan zich met name niet verenigen met de inperking van de weekendregeling, zoals hierna zal worden omschreven.

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedtaken bepaald, waarbij het weekend, waarin [de minderjarige] eens per veertien dagen omgang met de man zal hebben, loopt van vrijdag na school tot en met zaterdagavond. Verder verblijft [de minderjarige] elke woensdagmiddag na school tot en met donderdagochtend bij de man. Met betrekking tot de zomervakantie 2020 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [de minderjarige] – in de laatste week dat zij volgens de tussen ouders afgesproken vakantieregeling bij de man zou verblijven – gedurende vier dagen bij de man zal verblijven, door partijen in onderling overleg te regelen. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorzieningenrechter heeft partijen verwezen naar mediation met betrekking tot de zorgregeling, met het verzoek aan de advocaten van partijen de rechtbank in de bodemprocedure te berichten over de resultaten van de mediation en de voorlopige zorgregeling en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke wijze volgens partijen moet worden voortgeprocedeerd. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

3. De man vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bepalen dat de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] wordt hersteld, inhoudende dat [de minderjarige] :

- elke woensdag uit school tot donderdag naar school; en

- om de week een weekend van vrijdag uit school tot zondagavond; en

- de helft van de schoolvakanties

bij de man verblijft waarbij partijen het halen en brengen in onderling overleg verdelen en afspreken.

4. De vrouw concludeert in het principaal appel, kort gezegd, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. In het incidenteel appel vordert de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] als volgt zal bepalen:

- elke woensdag uit school tot donderdagochtend 7.30 uur;

- om de week van vrijdag uit school tot en met zaterdagavond 19.00 uur;

- de schoolvakanties, studiedagen en lockdown conform alinea 57 van de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel;

- feestdagen buiten de schoolvakanties bij helfte delen.

5. De man concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar incidenteel appel, dan wel tot afwijzing van haar verzoeken in incidenteel appel.

6. Het hof overweegt als volgt.

7. Ter zitting is naar voren gekomen dat de mediation is gestopt. Beide partijen hebben verklaard dat de bodemrechter bij (tussen)beschikking van 2 december 2020 heeft beslist dat een bijzondere curator voor [de minderjarige] wordt benoemd die (tevens) zal bemiddelen en zo nodig aan de rechtbank advies zal uitbrengen over de zorgregeling. Ook hebben zij verklaard dat de rechtbank in die beschikking een voorlopige zorgregeling heeft bepaald die gelijkluidend is aan de zorgregeling, zoals die in het bestreden vonnis is bepaald en dat de beslissing over de definitieve zorgregeling in afwachting van het verslag van de bijzondere curator is aangehouden.

8. Het hof overweegt dat deze beslissing over de voorlopige zorgregeling in zoverre een deelbeschikking is. Onweersproken heeft de vrouw gesteld dat tegen de beschikking van de rechtbank van 2 december 2020 geen hoger beroep is ingesteld. Het hof is van oordeel dat de man dan ook geen, dan wel niet langer, belang heeft bij zijn hoger beroep tegen het bestreden vonnis en legt dit als volgt uit. De kort gedingvoorziening vervalt naar het oordeel van het hof op het moment dat een uitvoerbaar bij voorraad gedane bodemuitspraak wordt gedaan en voor het geval de bodemuitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, op het moment dat deze in kracht van gewijsde gaat. Zowel deze kort gedingprocedure als de bodemprocedure betreffen hetzelfde onderwerp, namelijk wat de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] moet inhouden. In de bodemprocedure is een beslissing gegeven over een voorlopige zorgregeling, die echter voor de duur van die bodemprocedure definitief is nu daartegen geen hoger beroep is ingesteld. Indien zou worden geoordeeld dat de kort geding voorziening niet zou zijn vervallen, dan leidt dit ertoe dat twee executoriale titels naast elkaar gelding hebben en dit acht het hof onpraktisch en onwenselijk.

9. Uit wat het hof onder 8 heeft overwogen volgt dat het hof de door de man ingestelde vordering in het incidenteel hoger beroep zal afwijzen.

10. De vrouw heeft in incidenteel appel gevorderd dat het hof een zorgregeling zal vaststellen voor de schoolvakanties tot en met de voorjaarsvakantie 2021, de studiedagen schooljaar 2020/2021 en een mogelijk nieuwe lockdownperiode vanwege het Covid 19-virus. Het hof is van oordeel dat de vrouw, even als de man geen belang heeft bij haar incidentele vordering. Het hof verwijst voor de motivering naar wat onder punt 8 is overwogen.

11. Het voorgaande leidt er toe dat het hof ook de door de vrouw ingestelde vordering in incidenteel appel zal afwijzen.

12. Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de zaak, de proceskosten tussen partijen compenseren.

Beslissing

Het hof:

wijst de vordering van de man in het het principaal hoger beroep af;

wijst de vordering van de vrouw in het incidenteel hoger beroep af;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, J.M. van de Poll en A.A.F. Donders en is ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2021 door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.