ECLI:NL:GHSHE:2021:1205
public
2021-05-19T13:06:38
2021-04-20
Raad voor de Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2021-04-20
200.287.024_01
Hoger beroep
NL
's-Hertogenbosch
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:2355
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:1205
public
2021-05-19T12:45:51
2021-05-19
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:GHSHE:2021:1205 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-04-2021 / 200.287.024_01

6.4 LPR niet-ontvankelijk: Indien zich op de in artikel 6.2 genoemde roldatum geen andere advocaat stelt, vervalt het recht van de partij om de proceshandeling waarvoor deze staat, te verrichten en kan de wederpartij verzoeken in de zaak arrest te wijzen. Indien zich op deze roldatum geen andere advocaat stelt en de wederpartij niet verzoekt in de zaak arrest te wijzen of de proceshandeling waarvoor zijn staat op deze datum niet verricht, wordt de zaak ambtshalve doorgehaald.

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.287.024/01

arrest van 20 april 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.J. Mookhram te Heerlen (onttrokken),

tegen

1 [de Stichting 1] ,statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en mede gevestigd en kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

2. [de Stichting 2] ,statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en mede gevestigd en kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

geïntimeerden,

hierna afzonderlijk aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. C.A.H. Lemmens te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 juni 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 maart 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [de Stichting 1] als gedaagde.

1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7899173 CV EXPL 19-4786)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep van 25 juni 2020;

  • het herstelexploot van 19 oktober 2020;

  • de rolbeslissing van 22 december 2020;

  • op de rol van 5 januari 2021 heeft [appellante] geen akte genomen;

  • de antwoordakte van de zijde van [de Stichting 2] van 19 januari 2021;

  • het H16-formulier voor de rol van 23 februari 2021 van de zijde van [geïntimeerden] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3De beoordeling

3.1.

Op de rol van 19 januari 2021 heeft de advocaat van [appellante] zich onttrokken. Op grond van artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR) is de zaak vervolgens verwezen naar de roldatum twee weken later voor het stellen van een nieuwe advocaat, ambtshalve peremptoir. Op die rol van 9 februari 2021 heeft zich geen nieuwe advocaat voor [appellante] gesteld. Ingevolge artikel 6.4 LPR betekent dat dat het recht van [appellante] om de proceshandeling waar de zaak voor stond, te mogen verrichten, is komen te vervallen.

3.2.

In het nadien ingediende H16-formulier verzoeken [geïntimeerden] verval van instantie en geven zij aan geen behoefte te hebben aan het instellen van een incidenteel appel. Wat er van dit verzoek ook zij, het hof begrijpt dat [geïntimeerden] daarmee beogen een einde te willen maken aan deze procedure. Het hof zal daarom conform artikel 6.4 LPR arrest wijzen.

3.3.

In het tegen [de Stichting 2] ingestelde hoger beroep is [appellante] niet-ontvankelijk nu [de Stichting 2] in eerste aanleg geen partij was in de procedure (art. 332 Rv). Nu [appellante] tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven heeft aangevoerd, zal zij voorts ook niet-ontvankelijk worden verklaard in het door haar tegen [de Stichting 1] ingestelde hoger beroep en als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4De uitspraak

Het hof:

Verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

Veroordeelt [appellante] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak begroot op € 2.071,00 aan griffierecht en € 557,00 (½ punt liquidatietarief II aan salaris advocaat).

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 april 2021.

griffier rolraadsheer