ECLI:NL:GHSHE:2021:779
public
2021-03-19T11:18:03
2021-03-18
Raad voor de Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2021-03-18
200.287.527_01
Hoger beroep
NL
's-Hertogenbosch
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:779
public
2021-03-19T10:40:27
2021-03-19
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:GHSHE:2021:779 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-03-2021 / 200.287.527_01

Verlenging ondertoezichtstelling

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 18 maart 2021

Zaaknummer : 200.287.527/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/378127 / JE RK 20-2071

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. T. van Riel,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 november 2020.

2Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2020, en aangevuld bij beroepschrift van 29 januari 2021 hebben [minderjarige] en de vader het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI alsnog integraal af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 februari 2021, heeft de GI het hof verzocht het hoger beroep van de minderjarige [minderjarige] en de vader af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 februari 2021.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Van Riel;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de moeder.

2.3.1.

[minderjarige] is niet ter mondelinge behandeling verschenen.

2.3.2.

Namens de raad is, met bericht van verhindering van 12 januari 2021, geen vertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 3 november 2020.

3De beoordeling

3.1.

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige]

(hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij de moeder.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 8 oktober 2019 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 8 november 2020 tot 8 februari 2021.

3.4.

[minderjarige] en de vader kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. Nu [minderjarige] echter als minderjarige niet als zelfstandige procespartij kan worden aangemerkt, zal hij door het hof niet-ontvankelijk verklaard worden en zal het hoger beroep inhoudelijk slechts het verzoek van de vader betreffen.

3.5.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aan.

De ondertoezichtstelling is op onjuiste gronden verlengd. Er is geen sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] en daarom is er niet voldaan aan het wettelijk criterium ex artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Door de GI is immers aangevoerd dat [minderjarige] een goede ontwikkeling doormaakt en positieve stappen zet. Hij gaat niet meer om met zijn oude vrienden, zijn vermeende agressiviteit komt niet meer voor en hij heeft bovendien een baan gevonden bij een installatiebedrijf. Dit alles maakt dat [minderjarige] rust en regelmaat heeft in zijn leven, dit geeft hem houvast en stabiliteit om zodoende stappen te zetten in zijn ontwikkeling. Hij zal bovendien ook een betere ondersteuning krijgen in de vorm van speciaal onderwijs.

[minderjarige] heeft de wil om aan zichzelf te werken, de combinatie van school en werken maken dat [minderjarige] toekomst ziet.

Dat de GI zicht wil houden op [minderjarige] vormt geen grondslag voor een (verlenging van) de ondertoezichtstelling. Ook de overweging van de rechtbank dat, in afwachting van het al dan niet opleggen van een jeugdreclasseringsmaatregel in het strafrechtelijk kader, de ondertoezichtstelling drie maanden verlengd diende te worden om zo, indien nodig, terug te kunnen vallen op begeleiding in het kader van zijn positieve ontwikkeling, is geen grond voor een ondertoezichtstelling. Ter mondelinge behandeling van het hof is door de advocaat benadrukt dat het van de kant van de GI gestelde gat van drie maanden tussen het einde van de ondertoezichtstelling en de aanvang van de jeugdreclasseringsmaatregel niet juist is. Dit betrof volgens de advocaat slechts een paar dagen. De verlenging van de ondertoezichtstelling voegde derhalve niets toe.

Er dient verder terughoudend te worden omgesprongen met een ondertoezichtstelling, nu een ondertoezichtstelling een grote inbreuk is op het recht van de ouders om hun kind naar eigen inzicht op te voeden. Het gaat hier om een mensenrecht, op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat niet zonder wettelijke grondslag mag worden ingeperkt.

Indien het hof meent dat er wel een voldoende wettelijke grondslag is om de verlenging van de ondertoezichtstelling toe te wijzen, wordt betoogd dat die ondertoezichtstelling disproportioneel is gelet op de persoonlijke omstandigheden van [minderjarige] .

Er zijn bovendien andere, lichtere, alternatieven voorhanden die adequate begeleiding kunnen bieden aan [minderjarige] bij een eventuele terugval in het kader van zijn positieve ontwikkeling.

3.6.

De GI voert (in het verweerschrift, zoals aangevuld) tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aan.

De GI erkent dat ook tijdens de behandeling in eerste aanleg vanuit de GI duidelijk is aangegeven dat een jeugdreclasseringsmaatregel prevaleert boven de ondertoezichtstelling.

Gelet echter op de mogelijke tijdsspanne tussen de net afgelopen jeugdreclasseringsmaatregel (welke liep van 9 augustus 2019 tot 29 oktober 2020) en de behandeling van het door [minderjarige] ingestelde hoger beroep tegen een strafrechtuitspraak, achtte de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. Het risico bestond dat er gedurende een bepaalde periode noch een ondertoezichtstelling gold noch een reclasseringsmaatregel.

Het voorgaande laat onverlet dat de GI ten tijde van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling de nodige zorgen had over [minderjarige] . Hij had op dat moment geen baan meer, ging niet naar school en had zijn EMDR stopgezet. Ook had de GI een beperkte invloed op [minderjarige] omdat hij fysiek en emotioneel moeilijk bereikbaar was. De zorgen waren gezien zijn zelfbepalend gedrag en de moeite die hij heeft met teleurstellingen, aanzienlijk. De GI was van mening dat er nog steeds sprake was van een ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] , die toezicht en begeleiding vanuit het gedwongen kader noodzakelijk maakte.

Bovendien was er vanuit de moeder aanvankelijk het signaal gekomen dat zij zorgen had over [minderjarige] omdat hij niet meer met haar in gesprek wilde en gaf zij aan dat het beter voor hem zou zijn als hij begeleid zou gaan wonen. Dat zij deze zorg later introk doet niet af aan het signaal dat zij gaf op het moment dat het verzoek werd opgesteld en daar overleg over was.

Toen bleek dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de strafrechter was ingetrokken, is de huidige reclasseringsmaatregel gestart. Vanaf dat moment is duidelijk naar [minderjarige] en de ouders gecommuniceerd dat de ondertoezichtstelling niet verlengd zou worden.

In het kader van de jeugdreclasseringsmaatregel, die loopt tot november 2022, zijn er meerdere gesprekken met [minderjarige] en de moeder geweest. Duidelijk is dat [minderjarige] moeite heeft met de teleurstelling van het wederom te zijn ontslagen. Mede hierdoor wil hij niet meer naar school. Hij vindt dat school geen meerwaarde heeft als hij geen werk heeft. Er is daarom besloten om met ondersteuning van een coach van [organisatie] te gaan zoeken naar een passende vorm van onderwijs en school. In dat licht wordt er, ondanks dat [minderjarige] niet naar school gaat, geen proces-verbaal opgemaakt door de leerplichtambtenaar. Dat zou zonder beschermings- of reclasseringsmaatregel allemaal niet mogelijk zijn geweest.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.2.

Op grond van artikel 1:260 van het BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste één jaar.

3.7.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW.

3.7.4.

Het hof is van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling werd en wordt bedreigd.

De concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] is in de eerste plaats zijn kindeigen-problematiek. Gebleken is dat hij kampt met ADHD en ODD en er is in een eerder stadium bij hem de diagnose Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS) vastgesteld. Verder is gebleken dat [minderjarige] in het kader van zijn opleiding Beroepsbegeleidende Leerweg (BBL) niet gemotiveerd is om naar school te gaan en hij is ontslagen van het werk dat hij gevonden had. Hij ziet geen meerwaarde in school als hij geen werk heeft. Ook vindt [minderjarige] het moeilijk om met teleurstellingen om te gaan, vertoont hij zelfbepalend gedrag en is gebleken dat de ouders hem onvoldoende kunnen begrenzen.

3.7.5.

Met de GI is het hof van oordeel dat toezicht en begeleiding vanuit het gedwongen kader noodzakelijk is. Temeer nu verschillende opgestarte therapieën (onder meer MST en EMDR) vanuit [minderjarige] (dan wel de moeder) zijn gestaakt, terwijl het duidelijk is dat deze therapieën in het belang zijn van [minderjarige] nodig zijn. [minderjarige] trekt zijn eigen plan en verblijft als het hem uitkomt dan weer bij de moeder en dan weer bij de vader, zolang hij maar zijn eigen gang kan gaan. Eerdere residentiële behandeling en zelfs gesloten opname hebben hier geen verandering in gebracht. Dit brengt met zich dat het hof een (verlenging van de) ondertoezichtstelling niet disproportioneel acht zoals de vader stelt.

Ook zijn er door de moeder signalen afgegeven dat [minderjarige] met haar het gesprek niet meer aan wilde gaan en het haar beter leek dat hij begeleid zou gaan wonen.

3.7.6.

Uit het verweer en de toelichting daarop van de GI ter mondelinge behandeling volgt dat er vanuit de GI een voorkeur bestond om [minderjarige] verder te begeleiden binnen een maatregel van de jeugdreclassering. Ter zitting bij de kinderrechter was er echter geen zicht op (voortzetting van) reclasseringsbegeleiding. Voor het geval reclasseringsbegeleiding niet meer aan de orde zou zijn achtte de GI voortzetting van de ondertoezichtstelling noodzakelijk, hetgeen het hof, gelet op hetgeen onder 3.7.5. is overwogen, onderschrijft.

Het opheffen van de ondertoezichtstelling, zonder zicht op een andere maatregel, was gelet op de problematiek van [minderjarige] en de belaste voorgeschiedenis geen optie. Dat er volgens de vader ten tijde van het inleidend verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling sprake was van een positieve ontwikkeling aan de kant van [minderjarige] maakt dit niet anders, temeer nu het duidelijk was dat deze ontwikkeling zeer pril was.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ook artikel 8 EVRM zich niet tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzet, zoals de vader stelt, nu deze maatregel juist ten doel heeft de ernstige ontwikkelingsbedreiging rond de minderjarige af te wenden en proportioneel te achten is.

Gelet op de beperkte termijn van samenloop van de ondertoezichtstelling en de reclasseringsmaatregel ziet het hof ook geen aanleiding de duur van de verlengde ondertoezichtstelling te beperken.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen dient te worden, bekrachtigd.

4De beslissing

Het hof:

In het hoger beroep van [minderjarige]:

verklaart [minderjarige] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep

In het hoger beroep van de vader:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 november 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en E.P. de Beij en is op 18 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.