ECLI:NL:HR:2021:278
public
2021-03-27T10:10:00
2021-02-22
Raad voor de Rechtspraak
Hoge Raad
2021-03-02
19/05460
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
NL
Strafrecht
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:7
Rechtspraak.nl
RvdW 2021/315
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:278
public
2021-03-02T16:12:42
2021-03-02
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:HR:2021:278 Hoge Raad , 02-03-2021 / 19/05460

Poging tot gekwalificeerde doodslag, (poging tot) afpersing op de openbare weg en de voortgezette handeling van diefstal met geweld en afpersing op de openbare weg. Klachten over de afwijzing van het verzoek tot het horen van gedragsdeskundigen en de motivering van de oplegging van de maatregel TBS met dwangverpleging, mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. HR: art. 81.1 RO.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05460

Datum 2 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2019, nummer 23-001626-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2021.