ECLI:NL:HR:2021:307
public
2021-03-30T12:45:44
2021-02-25
Raad voor de Rechtspraak
Hoge Raad
2021-03-30
19/05054
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
NL
Strafrecht
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:96
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:307
public
2021-03-29T11:52:33
2021-03-30
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:HR:2021:307 Hoge Raad , 30-03-2021 / 19/05054

Jeugdzaak. Middelen over medeplegen (van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, art. 282.1 Sr) en beroep op psychische overmacht, art. 40 Sr. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/04970.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05054 J

Datum 30 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 oktober 2019, nummer 22-003978-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,

hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K. Renssen, advocaat te 'sGravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2021.