ECLI:NL:HR:2021:380
public
2021-04-09T10:39:36
2021-03-12
Raad voor de Rechtspraak
Hoge Raad
2021-03-16
19/02163
Cassatie
NL
Strafrecht
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:1293
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:259
Rechtspraak.nl
RvdW 2021/348
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:380
public
2021-03-17T11:45:05
2021-03-17
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:HR:2021:380 Hoge Raad , 16-03-2021 / 19/02163

Medeplichtigheid aan witwassen, art. 420bis Sr en de eendaadse samenloop van het voorhanden hebben van een vals identiteitsbewijs en het opzettelijk gebruik maken van een vals identiteitsbewijs, art. 231.2 Sr. Middelen m.b.t. 1. afwijzing verzoek (opnieuw) voorhouden stukken ttz. h.b., art. 301 en 417.2 Sv en 2. bewijsklachten (medeplichtigheid aan) witwassen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/02131, 19/02132, 19/02135, 19/02224, 19/02238 en 20/00970.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02163

Datum 16 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019, nummer 22-002864-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2021.