ECLI:NL:HR:2021:384
public
2021-04-09T10:39:18
2021-03-12
Raad voor de Rechtspraak
Hoge Raad
2021-03-16
19/05398
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
NL
Strafrecht
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:4238
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:141
Rechtspraak.nl
RvdW 2021/353
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:384
public
2021-03-16T09:44:43
2021-03-16
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:HR:2021:384 Hoge Raad , 16-03-2021 / 19/05398

Eendaadse samenloop van bedreiging en opruiing van en tegen een politicus (art. 285 en 131 Sr). Middelen over o.a. grondslagverlating tll m.b.t. opruiing, voorwaardelijk opzet en redelijke vrees a.b.i. art 285 Sr. HR: art. 81.1 RO.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05398

Datum 16 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 november 2019, nummer 23-001736-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2021.