ECLI:NL:HR:2021:5
public
2021-02-05T10:16:09
2020-12-23
Raad voor de Rechtspraak
Hoge Raad
2021-01-12
19/02943
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
NL
Strafrecht
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1097
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:2802
Rechtspraak.nl
RvdW 2021/142
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:5
public
2021-01-08T16:27:39
2021-01-12
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:HR:2021:5 Hoge Raad , 12-01-2021 / 19/02943

Aanwezig hebben amfetamine, LSD en/of cocaïne, MDMA en 2C-B (art.2.C Opiumwet). Middel klaagt over motivering bewezenverklaring. HR: art. 80a RO.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02943

Datum 12 januari 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2019, nummer 23-004377-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur‑generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2021.