Beschikking, toewijzing vordering AG ex art. 577c (oud) Sv strekkende tot verlenen van verlof tot tul van lijfsdwang. Ontvankelijkheid cassatieberoep. O.g.v. art. 445 Sv staat tegen beschikkingen cassatieberoep alleen open in gevallen in dat wetboek bepaald. Dat wetboek bevat geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen beschikking als deze. Zo’n bepaling is ook in andere wet niet te vinden. Daarom kan HR cassatieberoep van veroordeelde niet in behandeling nemen. Veroordeelde n-o. CAG merkt op dat Wet USB geen verandering heeft gebracht in stelsel van rechtsmiddelen zoals dat geldt voor beschikkingen.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/01191 B
Datum 20 april 2021
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2020, nummer AV 001202-19, op een vordering van de advocaat-generaal ex artikel 577c (oud) van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak
van
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de veroordeelde.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft M. Berkel, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Op grond van artikel 445 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen beschikkingen cassatieberoep alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald.
Dat wetboek bevat geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen een beschikking als deze. Zo’n bepaling is ook in een andere wet niet te vinden. Daarom kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de veroordeelde niet in behandeling nemen.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2021.