ECLI:NL:OGEAA:2021:38
public
2021-02-15T17:43:34
2021-02-15
Raad voor de Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2021-02-09
AUA201903220
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
NL
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2021:38
public
2021-02-15T17:43:23
2021-02-15
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:OGEAA:2021:38 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 09-02-2021 / AUA201903220

gezamenlijk gezag

Beschikking van 9 februari 2021

behorend bij EJ nr. AUA201903220

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van:

[Verzoeker],

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna te noemen de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn,

tegen

[Verweerster],

wonendein Aruba,

VERWEERSTER, hierna te noemen de moeder,

procederend in persoon.

Belanghebbenden:

[Belanghebbende 1], geboren op [geboortedatum] 2011 in Aruba,

[Belanghebbende 2], geboren op [geboortedatum] 2013 in Aruba,

de minderjarigen.

1HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van dit gerecht van 28 januari 2020, waarbij aan verzoeker vervangende toestemming is verleend om de minderjarigen te erkennen, en hij in de gelegenheid is gesteld zich op een nadere rolzitting schriftelijk uit te laten of de erkenning heeft plaatsgevonden.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de mondelinge behandeling ter zitting van 12 januari 2021, waar zijn verschenen verzoeker in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde en de moeder in persoon.

De uitspraak is bepaald op heden.

2DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Aan de orde is ten eerste het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder met het gezag over de minderjarigen te worden belast. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BW). Artikel 1:253c lid 1 BW biedt de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de mogelijkheid om het gerecht te verzoeken om hem in plaats van de moeder met het gezag over het kind te belasten. Uit de jurisprudentie (vgl. HR 27 mei 2005, NJ 2005, 485) volgt dat dit artikel in overeenstemming met artikel 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd, dat de vader niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook van gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken, en dat art. 1:253e BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien het verzoek van de vader ingevolge art. 1:253c lid 1 BW tot toekenning van gezamenlijk gezag over het kind wordt ingewilligd, dit tot gevolg heeft dat, indien de moeder het gezag tot dusverre alleen uitoefende, zij dit voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent.

2.2

Uit de ter zitting van 12 januari 2021 door verzoeker overgelegde geboorteaktes van de minderjarigen, blijkt dat hij op 14 juli 2020 de minderjarigen heeft erkend. Hij is thans dan ook tot het gezag bevoegd.

2.3

De moeder heeft ter zitting ingestemd met het verzoek om voortaan samen met de vader het gezag over de minderjarigen uit te oefenen.

2.4

Gelet hierop en nu overigens niet is gebleken van bezwaren daartegen, zal het gerecht het verzoek van de vader toewijzen en hem voortaan gezamenlijk met de moeder belasten met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen.

2.5

Wat betreft het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen vast te stellen, overweegt het gerecht als volgt.

Het verzoek is (thans) gebaseerd op artikel 1: 377h BW. Ingevolge het eerste lid kan de rechter in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, op verzoek van de ouders of een van hen, een regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft. Uitgangspunt daarbij is dat het in het algemeen in het belang van een kind is te achten dat het contact heeft met de niet-verzorgende ouder en in beginsel hebben beiden ook recht op omgang met elkaar, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten.

2.6

Bij beschikking van 8 oktober 2019 (AUA201903218) is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de minderjarigen. Partijen hebben ter zitting te kennen gegeven dat deze omgangsregeling goed verloopt en dat zij die willen handhaven.

2.7

Het gerecht zal gelet hierop, de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen als hieronder aangegeven vaststellen.

2.8

De proceskosten zullen worden gecompenseerd.

3DE BESLISSING

Het gerecht:

- bepaalt dat de vader, [Verzoeker], voortaan gezamenlijk met de moeder, Djamilssa Marionela IRAUSQUIN, het gezag over [Belanghebbende 1], geboren op [geboortedatum] 2011 in Aruba, en over [Belanghebbende 2], geboren op [geboortedatum] in Aruba, zal uitoefenen,

- bepaalt de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen als volgt:

- om het weekend: vanaf vrijdag na school tot maandag om 19.00 uur,

- elke schooldag: van 14.00 uur tot 19.00 uur,

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door , rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter zitting van dinsdag 9 februari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.