Na tussenvonnis is informatie over omzet van de in het gehuurde gedreven vestiging fietsenwinkel verschaft. Beperkte omzetdaling, geen huurkorting. Winstcijfers niet maatgevend. Geen ontbinding want groot deel huur wel betaald en geen betalingsonwil.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 8706447 CV EXPL 20-14914
vonnis van: 19 maart 2021
fno.: 8622
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
de stichting Stichting Administratiekantoor LULU
gevestigd te Amsterdam
eiseres
nader te noemen: LULU
gemachtigde: M.O. de Boer
t e g e n
de besloten vennootschap Het Zwarte Fietsenplan Centrum B.V.
gevestigd te Amsterdam
gedaagde
nader te noemen: HZFC
verschenen bij: [naam 3]
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Voor het verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 4 december 2020.
Ingevolge dit vonnis hebben beide partijen nadere stukken in het geding gebracht en LULU heeft haar eis vermeerderd. Op 17 februari 2021 heeft een mondelinge behandeling plaats gevonden. Namens de gemachtigde van LULU zijn daar verschenen de heer [naam 1] en de heer [naam 2] . De heer [naam 3] is namens HZFC verschenen. Ter zitting zijn vragen van de kantonrechter beantwoord en namens partijen is een nadere toelichting gegeven.
Hierna is vonnis bepaald op heden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
-
Bij tussenvonnis van 4 december 2020 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid is die kan meebrengen dat ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst onaanvaardbaar is.
-
Of ingrijpen in de huurovereenkomst in dit geval aangewezen is hangt om te beginnen af van de vraag in hoeverre HZFC in staat is geweest in het gehuurde haar onderneming te exploiteren. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit het beste worden afgemeten aan de hand van een vergelijking van de omzet voor en tijdens de coronacrisis. Anders dan door HZFC bepleit is dus niet de gerealiseerde winst maatgevend, omdat deze ook van andere factoren afhangt. Het kan wel zo zijn dat bepaalde meer winstgevende bedrijfsonderdelen (zoals de fietsverhuur) meer lijden onder de coronacrisis dan minder winstgevende onderdelen, maar naar het oordeel van de kantonrechter valt dat onder het ondernemersrisico. Waar het bij een eventuele huurkorting immers om gaat is of de in het gehuurde geëxploiteerde onderneming daar kon worden uitgeoefend – en er dus omzet kon worden gerealiseerd.
-
Uit de door HZFC aangeleverde omzetcijfers tot en met december 2020 blijkt dat per saldo voor de in het gehuurde gedreven (onderdeel van de) onderneming slechts sprake is geweest van een beperkt omzetverlies. In heel 2020 is een omzet gerealiseerd van € 635.906,00 en in heel 2019 een omzet van € 661.939,00. Ook een vergelijking op maandbasis laat slechts een beperkte omzetdaling zien. Dit is ook verklaarbaar, nu HZFC heeft toegelicht dat weliswaar de verhuur van fietsen is teruggelopen, maar de verkoop is gestegen. Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat onder deze omstandigheden onvoldoende reden om in te grijpen in de huurovereenkomst voor de periode waarop de huurvordering ziet.
-
Zoals ter zitting is besproken sluit dit niet uit dat dit voor de periode vanaf half december 2020 anders komt te liggen. HZFC is nu immers verplicht gesloten, behoudens voor reparatie, online bestellingen en – sinds kort – afhalen van producten. Cijfers over deze periode zijn niet in het geding gebracht en dat mocht van HZFC ook niet verwacht worden, nu LULU haar vordering pas kort voor de zitting heeft vermeerderd met de resterende huur over de periode tot en met februari 2021. Het ligt dan ook voor de hand dat partijen zo nodig alsnog over huurkorting in overleg treden, als nieuwe (met stukken onderbouwde) cijfers daartoe aanleiding geven.
-
Het beroep van HZFC op huurkorting – dat anders dan in het tussenvonnis overwogen als een beroep op verrekening zal worden beschouwd – zal voor nu worden verworpen. Dat betekent dat HZFC de ingehouden huur alsnog zal moeten betalen. Het gaat daarbij om een bedrag van € 14.396,02.
-
Ook de buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar, nu HZFC terecht in rechte is betrokken. Gezien de achtergrond van de gedeeltelijke betaling zal de contractuele boete billijkheidshalve worden gematigd tot € 300,00.
-
De kantonrechter zal de overige vorderingen afwijzen. Gezien de coronacrisis en de rechtspraak die over huurkorting op gang is gekomen acht de kantonrechter het begrijpelijk dat HZFC, die meerdere panden huurt, heeft getracht met haar verhuurders in gesprek te komen. Ook is voorstelbaar dat om het hoofd boven water te houden een deel van de huur, in afwachting van overleg, niet betaald is. Het grootste deel van de huur is steeds wel betaald. Van betalingsonwil is in ieder geval niet gebleken. Onder die omstandigheden rechtvaardigt de tekortkoming geen ontbinding van de huurovereenkomst, zodat de vordering die daartoe strekt zal worden afgewezen. Hetzelfde geldt dan voor de ontruimingsvordering.
-
Gezien de uitkomst zal HZFC in de proceskosten veroordeeld worden.
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt HZFC tot betaling aan LULU van € 14.396,02 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2021 tot de dag van betaling;
veroordeelt HZFC tot betaling aan LULU van € 726,00 aan buitengerechtelijke kosten, alsmede € 300,00 aan contractuele boete;
veroordeelt HZFC in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van LULU begroot op:exploot € 100,89salaris € 933,00griffierecht € 499,00 ----------totaal € 1.532,89voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt HZFC in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat HZFC niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2021 in aanwezigheid van de griffier.