Eiser heeft geen recht op de laagste WOZ-waarde die bij identieke woningen is vastgesteld als een grotere groep identieke woningen dezelfde of een hogere WOZ-waarde hebben.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/949
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,
(gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 31 mei 2019 de waarde op grond van de Wet Waardering onroerende zaken (Wet WOZ) van de onroerende zaak [adres 1] te [plaatsnaam] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 344.000.
[eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 21 januari 2020 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 22 maart 2021. [eiser] is verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. [eiser] is eigenaar van de woning. Het is een tussenwoning van 90 m² op een kavel van 107 m² met een berging.
2. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. De waardepeildatum is in dit geval 1 januari 2018. Bepalend is de staat waarin de woning op die datum verkeert.1
3. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een taxatierapport ingediend. Het taxatierapport van de heffingsambtenaar bevat gegevens en recente verkoopcijfers van andere woningen (de vergelijkingsobjecten), namelijk [adres 2] en [adres 3 (nummer)] en [adres 4] . Volgens de heffingsambtenaar valt uit de verkoopprijzen van deze vergelijkingsobjecten af te leiden dat de WOZ-waarde van de woning van [eiser] niet te hoog is vastgesteld.
4. [eiser] vindt dat de heffingsambtenaar de vergelijkingsobjecten die bij het vaststellen van de WOZ-waarde van de woningen [adres 6] [adres 7 (nummers)] zijn gebruikt, ook bij zijn woning had moeten gebruiken. De woningen op [adres 6] [adres 7 (nummers)] zijn identiek aan zijn woning, maar zijn lager gewaardeerd, namelijk op € 304.000. Hij vindt dat zijn woning ook op deze waarde gewaardeerd moet worden.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. De woningen waar [eiser] op wijst, zijn inderdaad identiek aan zijn eigen woning. Dat betekent niet dat de heffingsambtenaar ook dezelfde vergelijkingsobjecten moet gebruiken. De heffingsambtenaar kan daar zelf een keuze in maken. De heffingsambtenaar heeft bovendien op andere identieke woningen gewezen die gelijk of hoger gewaardeerd zijn. Deze groep is groter dan de groep identieke woningen die lager gewaardeerd zijn. In die situatie heeft [eiser] geen recht op de laagste waarde die bij identieke woningen is vastgesteld.
6. Daarnaast wijst [eiser] erop dat de heffingsambtenaar [adres 5] ook op € 344.000 heeft gewaardeerd, terwijl deze woning in tegenstelling tot zijn eigen woning een uitbouw heeft en dus meer waard zou moeten zijn.
7. De rechtbank oordeelt dat ook dit [eiser] geen recht geeft op een lagere WOZ-waarde. De uitbouw is nog niet geregistreerd in het systeem van de heffingsambtenaar, waarschijnlijk omdat geen vergunning benodigd was. De WOZ-waarde van [adres 5] is daardoor mogelijk te laag, in plaats van dat de waarde van de woning [eiser] te hoog is.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Pijpers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam , postbus 1312, 1000 BH Amsterdam .
Zie artikel 18, eerste en tweede lid, van de Wet Waardering onroerende zaken (Wet WOZ).