ECLI:NL:RBAMS:2021:1750
public
2021-05-28T20:01:43
2021-04-13
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-04-01
13/751916-20
Eerste en enige aanleg
NL
Amsterdam
Strafrecht; Europees strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:1750
public
2021-04-13T10:37:11
2021-04-13
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBAMS:2021:1750 Rechtbank Amsterdam , 01-04-2021 / 13/751916-20

Pools EAB ten behoeve van vervolging. De opgeëiste persoon heeft geen verweren gevoerd. Er bestaat geen gevaar op een schending van art. 47 Hv want er bestaan geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn recht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en hij geen eerlijk proces zal krijgen. De weigeringsgrond van artikel 11 OLW is niet van toepassing.

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751916-20

RK nummer: 20/5091

Datum uitspraak: 1 april 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 oktober 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 27 maart 2014 door the District Court of Legnica - III Criminal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1958,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats detentie] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 november 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is niet in persoon maar via telehoren vanuit de Penitentiaire Inrichting ter zitting aanwezig en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.W. van Zanden, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) af te wachten op de bij tussenuitspraak van 31 juli 2020 door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen betreffende de Poolse rechtsstaat1.

Op 17 december 2020 heeft het HvJ arrest gewezen in voornoemde zaak2.

De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 1 april 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn. Hij is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. R.W. van Zanden, advocaat te Hoofddorp.

Met instemming van de officier van justitie en de raadsvrouw hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 18 november 2020.

2Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Zweedse nationaliteit heeft.

3Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten een judicial decision of the Regional Court in Lublin van 22 januari 2014 on application of preventive measure in form on pre-trial detention en een decision of the public prosecutor of Regional Prosecutor’s Office in Lublin van 27 januari 2014 on institution of seeking by wanted notice (referentie: Ds. 232/12).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

verduistering

5Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat na bestudering van het dossier is gebleken dat er geen weigeringsgronden zijn.

Tevens heeft zij aangevoerd dat de opgeëiste persoon geen concrete feiten en omstandigheden kan aanvoeren betreffende zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht en de feitelijke context van de uitvaardiging van het EAB, op grond waarvan zijn overlevering, gelet op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, achterwege zou moeten blijven.

De rechtbank merkt in dit verband op dat de Overleveringswet op onderdelen is gewijzigd en dat deze Herimplementatiewet op 1 april 2021 in werking is getreden. Met deze inwerkingtreding is ook artikel 11 OLW gewijzigd. Het eerste lid van dit artikel luidt nu als volgt:

Aan een Europees aanhoudingsbevel wordt geen gevolg gegeven in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.

Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat voor de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar bestaat dat zijn door het Handvest gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden. Er bestaan immers geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden dat hij na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn recht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en hij geen eerlijk proces zal krijgen3.

De weigeringsgrond van artikel 11 OLW is niet van toepassing.

6Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 321 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Legnica - III Criminal Department (Polen).

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. N.M. van Waterschoot en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2021.

De oudste rechter is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.

De jongste rechter is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1

ECLI:NL:RBAMS:2020:3776, zaaknummer HvJ: C354/20 PPU

2

gevoegde zaken C354/20 PPU en C412/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1033 (Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit))

3

Zie voor het toetsingskader: rechtbank Amsterdam, 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420