Voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een taakstraf van 180 uren voor hennepteelt (359 hennepplanten) en diefstal elektriciteit, gepleegd op één dag. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/018475-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 14 april 2021
Verstek
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/018475-20, tegen:
[veroordeelde] , hierna te noemen veroordeelde,
geboren op [1968] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [plaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de ontnemingsvordering van de officier van justitie, mr. R. Leuven, en het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2021.
2De vordering en de grondslag daarvan
De officier van justitie heeft op 1 maart 2021 een ontnemingsvordering (hierna: vordering) ingediend bij de rechtbank en heeft deze vordering ter terechtzitting van 31 maart 2021 toegelicht.
Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 14 april 2021 veroordeeld voor: “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en “eendaadse samenloop van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”. Veroordeelde heeft volgens de officier van justitie door middel van deze strafbare feiten € 224.175,54 (het wederrechtelijk verkregen voordeel) verdiend. De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting aangepast naar een bedrag van € 37.362,59. Dat bedrag zou veroordeelde aan de staat moeten betalen.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e Sr en beoogt het wederrechtelijk voordeel te ontnemen dat is verkregen uit de feiten waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3Het wederrechtelijk verkregen voordeel
De vordering is gegrond op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 16 maart 20201 (hierna: het rapport). Het in het rapport berekende wederrechtelijk verkregen voordeel is onder andere gebaseerd op de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en de waarnemingen van de fraudespecialist van Liander. De opstellers van het rapport hebben het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op € 37.362,59 per oogst.
Eén oogst
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] genoemde indicatoren – te weten beschadigde en oude luchtkokers, kalkafzetting aan de onderzijde van de plantenbakken, stofdeeltjes op de armaturen van de assimilatielampen en op de aanwezige elektra en knipschaartjes met hennepresten – wijzen op in ieder geval één geslaagde oogst.
In het geval dat de veroordeelde de berekening van het wederrechtelijk genoten voordeel uit strafbare feiten betwist, moet hij aannemelijk maken dat zijn vermogen niet wederrechtelijk is verkregen. De Hoge Raad heeft meermalen uitgemaakt dat deze bewijslastverdeling niet in strijd is met het onschuldbeginsel en het recht op een eerlijk proces.2 Veroordeelde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Nu het rapport is gegrond op de aan de strafzaak ten grondslag liggende wettige bewijsmiddelen, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de berekening. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het dossier voldoende aanknopingspunten biedt dat de veroordeelde uit ten minste één oogst winst heeft genoten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde dus wederrechtelijk voordeel verkregen dat de rechtbank schat op
€ 37.362,59
4De verplichting tot betaling
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 37.362,59.
5Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 37.362,59.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 37.362,59 (zevenendertigduizenddriehonderdtweeënzestig euro en negenenvijftig eurocent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 747 (zevenhonderdzevenenveertig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en R.S.T. Gaarthuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2021.
Een geschrift, inhoudende een rapport berekening wedererechtelijk verkregen voordeel d.d. 16 maart 2020 met nummer 2018192669, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] .
Zie ook: ECLI:NL:GHAMS:2019:689.