ECLI:NL:RBDHA:2021:1096
public
2021-02-18T08:51:44
2021-02-15
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-02-12
NL21.1035
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1096
public
2021-02-15T13:38:25
2021-02-18
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBDHA:2021:1096 Rechtbank Den Haag , 12-02-2021 / NL21.1035

Dublin, Frankrijk, bescherming, medische klachten, ongegrond

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.1035

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G. Tuenter), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. F.F.M. van de Kamp).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL21.1036, plaatsgevonden op 9 februari 2021 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Benkrita.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De Franse autoriteiten hebben ingestemd met deze verantwoordelijkheid.

2. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom overdracht naar Frankrijk niet getuigt van onevenredige hardheid, gelet op de bijzondere en individuele omstandigheden van zijn zaak. Eiser heeft onderbouwd dat hij als gevolg van zijn politieke activiteiten in Tunesië bedreigingen krijgt vanuit de Tunesische gemeenschap in Frankrijk. Verweerder is in het bestreden besluit niet gemotiveerd ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd over dat het inroepen van bescherming heel moeilijk is, vanwege de omvang van het gevaar. Er kan sprake zijn

van een beroep op de discretionaire bevoegdheid als het vragen om hulp bij voorbaat zinloos of heel lastig zal zijn, maar verweerder heeft zich er alleen over uitgelaten of eiser bescherming in kan roepen. Deze zaak is anders dan andere beroepen op de discretionaire bevoegdheid, omdat het gevaar hier algemeen is. In andere zaken, zoals bij slachtoffers van mensenhandel, is het gevaar vaak concreet. Verder is verweerder ten onrechte niet ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd over dat hij in Frankrijk geen gevoel van veiligheid heeft en dat dit zorgt voor negatieve gevolgen voor zijn functioneren. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn medische klachten een medisch document uit Frankrijk overgelegd.

3. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aan te tonen dat dit in zijn geval niet mag. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Franse asiel- en opvangsysteem. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan mag worden.

4. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft gemotiveerd dat eiser de bescherming van de Franse autoriteiten in kan roepen tegen het gevaar waar hij voor vreest. Eiser heeft gesteld, maar niet nader onderbouwd dat de Franse autoriteiten hem niet zouden kunnen beschermen of dat het inroepen van de bescherming bij voorbaat zinloos of heel lastig zal zijn. De rechtbank volgt eiser niet dat het gevaar te algemeen zou zijn waardoor het inroepen van bescherming onmogelijk is.

Eiser heeft verder een medisch document uit Frankrijk overgelegd. Hieruit blijkt dat eiser medische problemen heeft, zoals depressieve klachten. Als uitgangspunt geldt dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan zogeheten Dublinclaimanten. Daarnaast wordt niet duidelijk waar de medische problemen het gevolg van zijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze medische klachten het gevolg zijn van zijn gevoel van onveiligheid in Frankrijk.

5. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in de omstandigheden van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd zijn niet zo bijzonder en individueel dat verweerder een uitzondering had moeten maken. De rechtbank volgt verweerder dan ook dat deze omstandigheden niet zodanig zijn dat overdracht van een onevenredige hardheid zou getuigen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

12 februari 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. L.M. Reijnierse T.R. Vos

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.