verlenging ondertoezichtstelling (1:255 BW); afwijzing gedeeltelijke gezagsuitoefening (1:265e lid 1 sub a BW). Gedeeltelijke gezagsuitoefening op grond van artikel 1:265e BW kan slechts in het kader van een machtiging tot uithuisplaatsing.
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/604501 / JE RK 20-2929 en C/09/605775 / JE RK 21-30
Datum uitspraak: 2 februari 2021
Beschikking van de kinderrechter
Verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak naar aanleiding van de op 11 december 2020 en 8 januari 2021 ingekomen verzoekschriften van:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),
betreffende:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de man 1]
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
[de vrouw]
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] .
Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift.
Op 2 februari 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij is verschenen:
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling.
Opgeroepen en niet verschenen zijn:
- de vader;
- de moeder.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Na de zitting en uitspraak zijn de volgende stukken ontvangen:
- de brief met bijlagen, ingekomen op 2 februari 2021, van de ouders.
Feiten
- De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd.
- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
- [minderjarige] verblijft feitelijk bij de ouders.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 januari 2020 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 7 februari 2020 tot 7 februari 2021.
Verzoek
Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot gedeeltelijke gezagsuitoefening voor de aanmelding van [minderjarige] bij een onderwijsinstelling op grond van artikel 1:265e lid 1 sub a en lid 3 BW.
Beoordeling
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] heeft het 22Q11-deletiesyndroom, waardoor hij kampt met een achterstand op alle ontwikkelingsgebieden. Na een lange periode van schoolverzuim is [minderjarige] op het speciaal onderwijs geplaatst, ondanks dat de ouders het hier niet mee eens waren en zij de beperking van [minderjarige] niet lijken te kunnen accepteren. Ook op het speciaal onderwijs wordt [minderjarige] echter overvraagd, waardoor hij zich niet kan ontwikkelen. Hij is daar niet gemotiveerd, maakt spullen kapot en vertoont wegloopgedrag. De gecertificeerde instelling heeft passende dagbesteding voor [minderjarige] gevonden, maar de ouders staan aanmelding in de weg. Het lukt de ouders niet om het belang van [minderjarige] voorop te stellen in de keuzes die zij maken. In juni 2020 is hulpverlening vanuit Middin ingezet om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de ouders in de thuissituatie, maar de daarvoor benodigde huisbezoeken hebben slechts sporadisch plaats kunnen vinden. De meeste bezoeken zijn zonder geldige reden afgezegd door de moeder. Tijdens de bezoeken die wel doorgingen, zijn zorgelijke signalen gezien door de hulpverlening, onder meer gelegen in het feit dat de ouders de beperking en het gedrag van [minderjarige] bagatelliseren en niet aansluiten bij zijn ontwikkelbehoeften. De betrokkenheid van de jeugdbeschermer is nog steeds noodzakelijk, om de ingezette lijn ten aanzien van de dagbesteding van [minderjarige] voort te zetten en verder te werken aan het verkrijgen van meer zicht op de thuissituatie en opvoedcapaciteiten van de ouders. Verlenging van de ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk.
Ten aanzien van het verzoek tot gedeeltelijke gezagsuitoefening voor de aanmelding bij een onderwijsinstelling overweegt de kinderrechter als volgt. Uit artikel 1:265e BW volgt dat gedeeltelijke overheveling van het gezag naar de gecertificeerde instelling voor aanmelding bij een onderwijsinstelling slechts mogelijk is in het kader van een machtiging tot uithuisplaatsing. Daarvan is in dit geval geen sprake, waardoor het verzoek zal worden afgewezen. De kinderrechter benadrukt dat afwijzing van dit verzoek niet betekent dat [minderjarige] niet naar de door de gecertificeerde instelling gekozen dagbesteding hoeft, maar dat toewijzing door juridische gronden – het ontbreken van een machtiging tot uithuisplaatsing – niet mogelijk is op grond van artikel 1:265e BW.
Derhalve zal als volgt worden beslist.
Beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 7 februari 2021 tot 7 februari 2022 met behoud van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het verzoek tot gedeeltelijke gezagsuitoefening.
|
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
||
|
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
|
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
|
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
||
|
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
||
|
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
||
|
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 februari 2021. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |