ECLI:NL:RBDHA:2021:1393
public
2021-03-09T12:35:16
2021-02-22
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-02-22
NL21.1902
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Rotterdam
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1393
public
2021-02-22T15:07:30
2021-02-22
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBDHA:2021:1393 Rechtbank Den Haag , 22-02-2021 / NL21.1902

Bewaring. Zicht op uitzetting na weigeren covid-19 test. Beroep ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.1902

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Honing).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Op 1 februari 2021 heeft verweerder aan eiser een overdrachtsbesluit opgelegd.

Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de inbewaringstelling moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2021 in Dordrecht. Eiser is verschenen, bijgestaan door E.W.B. van Twist , als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Tohouss . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, nu de Duitse autoriteiten eisen dat er een covid-19 test wordt gedaan en dat deze test een ingrijpen is op zijn persoonlijk welzijn en lichamelijke integriteit en hij daaraan niet hoeft mee te werken.

1.1.

In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State rust op eiser de verplichting om zijn volledige en actieve medewerking te verlenen aan de uitzetting. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het ondergaan van een covid-19 test niet kan worden afgedwongen, de door eiser te verlenen medewerking hieraan kan worden geschaard onder de op hem rustende medewerkingsverplichting. De enige belemmering voor de geplande overdracht op 11 februari 2021 was eisers weigering om een covid-19 test te ondergaan. Verweerder dient dan ook vooralsnog in de gelegenheid te worden gesteld om de bewaring voort te zetten en te proberen om eiser door middel van het houden van vertrekgesprekken te bewegen alsnog zijn medewerking aan een covid-19 test te verlenen. Er is vooralsnog geen grond voor het oordeel dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering ontbreekt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

2. De rechtbank stelt vast dat tegen het overdrachtsbesluit geen gronden zijn ingediend. Het beroep tegen het overdrachtsbesluit slaagt daarom niet.

3. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.