Beroep tegen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard bezwaar tegen feitelijke overdracht van eiser - verweerder onbevoegd om te beslissen op bezwaar - gegrond - rechtbank voorziet zelf in de zaak - geen proceskostenvergoeding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/3628
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Hoof).
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn feitelijke overdracht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen bericht over het voornemen om met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een zitting in deze zaak achterwege te laten.
Verweerder heeft toestemming gegeven om het beroep buiten zitting af te doen.
De gemachtigde van eiser heeft geen toestemming verleend om het beroep buiten zitting af te doen.
Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van eiser echter per brief verzocht de zaak buiten zitting af te doen en te kennen gegeven dat hij en eiser niet ter zitting zullen verschijnen.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1995 en de Pakistaanse nationaliteit te bezitten.
2. Op 24 september 2019 heeft verweerder een overdrachtsbesluit uitgevaardigd. Het daartegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, bij uitspraak van 18 oktober 2019 ongegrond verklaard.1 Op 12 november 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.2
3. Verweerder heeft op 8 november 2019 medegedeeld dat eiser op 13 november 2019 per vliegtuig zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Oostenrijk. Op 8 november 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke overdracht. Bij brief van 11 november 2019 heeft de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, eiser geïnformeerd dat het bezwaarschrift van 8 november 2019 als beroepschrift is doorgezonden naar de Afdeling en dat het wordt meegenomen in de lopende hoger beroepsprocedure over het overdrachtsbesluit.
4. Eiser is vervolgens op 13 november 2019 overgedragen aan de autoriteiten van Oostenrijk.
5. Op 10 april 2020 heeft de gemachtigde van eiser een ingebrekestelling verstuurd aan verweerder, omdat verweerder nog niet had beslist op het bezwaar van eiser. Verweerder heeft op 17 april 2020 per brief gereageerd dat in eisers geval geen bezwaar openstond tegen de feitelijke overdracht, dat het bezwaarschrift is beschouwd als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening connex aan het hoger beroep tegen de uitspraak van 18 oktober 2019 en dat dit verzoek door de Afdeling op 12 november 2019 is afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar vervolgens kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
6. Op wat eiser daartegen aanvoert, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser procesbelang bij de beoordeling van zijn beroep. Het is immers vaste jurisprudentie dat een betrokkene belang kan hebben bij een beoordeling van zijn beroep vanwege het afwijzen van het verzoek om vergoeding van de gemaakte proceskosten in bezwaar.3
8. Gelet op de vaste jurisprudentie4 van de Afdeling waar zowel eiser als verweerder op hebben gewezen, heeft verweerder het bezwaarschrift terecht aangemerkt als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening connex aan het reeds ingediende rechtsmiddel. Tegen de feitelijke uitzetting stond in dit geval geen bezwaar open. De Afdeling heeft op 12 november 2019 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er bestond voor verweerder geen grond om alsnog op het bezwaar te beslissen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om te beslissen op het bezwaar van eiser. Ter zitting heeft verweerder erkend dat het bezwaar om die reden ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
9. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit niet in stand blijven. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien en verweerder onbevoegd te verklaren om te beslissen op het bezwaar van eiser.
10. De rechtbank ziet echter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Daarbij is van belang dat de vernietiging van het bestreden besluit om formele redenen eiser niet in een gunstigere positie brengt en dat het voor eiser op voorhand duidelijk had moeten zijn dat het beroep niet zou kunnen leiden tot de conclusie dat verweerder het bezwaar inhoudelijk dient te beoordelen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart verweerder onbevoegd om te beslissen op het bezwaar van eiser;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2021.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zaak met zaaknummer NL19.22722.
Zaken met zaaknummers 201907789/1/V3 en 201907789/2/V3.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:1916.
ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788 en ECLI:NL:RVS:2016:353.