ECLI:NL:RBDHA:2021:1767
public
2021-03-05T13:38:07
2021-03-01
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-02-24
AWB 21/1203
Voorlopige voorziening
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1767
public
2021-03-01T15:28:25
2021-03-05
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBDHA:2021:1767 Rechtbank Den Haag , 24-02-2021 / AWB 21/1203

Spoedpiket, vovo afgewezen, interstatelijk vertrouwensbeginsel Frankrijk, overgelegde artikelen zijn geen nova

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/1203

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , geboren op [1983], met de Sierra Leoonse nationaliteit, verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Dogan),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op basis van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting naar Bordeaux, op 26 februari 2021 om 10:10 uur.

Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat uitzetting wordt verboden in afwachting van de beoordeling van het bezwaar en eventuele verdere procedures totdat in hoogste instanties onherroepelijk is beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Dit betekent dat verzoeker uitgezet mag worden.

Overwegingen

  1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

  2. Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Na kennisneming van de stukken en gelet op het feit dat overdracht van verzoeker aan Bordeaux gepland staat op 26 februari om 10:10 uur, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

  3. Het bezwaar is gericht tegen de feitelijke uitzetting en dat betreft een handeling van verweerder die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw met een besluit gelijk is gesteld. De mogelijkheid tot het maken van bezwaar op basis van dit artikel tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting is beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt.1 Daarnaast is het maken van zo’n bezwaar mogelijk, als de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. In dat geval moet een vreemdeling nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten opzichte van dat wat hij tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot die uitzetting voortvloeit, heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. Is dat wat een vreemdeling aanvoert niet nieuw, dan wel niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, dan kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting leiden, tenzij zich een geval voordoet als omschreven in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), Bahaddar tegen Nederland.2

4. Verzoeker voert aan te vrezen door Frankrijk uitgezet te worden naar Sierra Leone. Ten aanzien van Frankrijk kan volgens hem niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. Er is sprake van een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest. De opvang voor Dublinclaimanten is problematisch en er zijn signalen dat er na overdracht geen opvang wordt verleend. Dublinterugkeerders verliezen hun opvangrechten als zij zich niet binnen een bepaalde tijd bij de daartoe aangewezen prefectuur melden. Deze zijn vaak lastig te bereiken. Verzoeker verwijst naar het AIDA-rapport van maart 2019, naar het artikel ‘France Approves Flawed Asylum and Immigration Law’ van Human Rights Watch van 4 augustus 2018 en het artikel ‘France: Systematic immigration detention further undermines rights’ van AIDA van 7 juni 2019. Door de tekortkomingen in Frankrijk heeft verzoeker de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt en zal hij bij overdracht weer deze drempel bereiken, waardoor hij in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht zal komen.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. Op 3 juli 2020 heeft deze rechtbank, deze zittingsplaats, uitspraak gedaan in de Dublinprocedure van verzoeker3. De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet kan. De rechtbank heeft in de uitspraak het AIDA rapport van maart 2019 betrokken en overwogen dat het rapport onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bij het verzoek overgelegde artikelen dateren van voor de uitspraak in de Dublinprocedure. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn dit daarom geen nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van dat wat verzoeker tegen het besluit in de Dublinprocedure heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van een geval als bedoeld in het arrest Bahaddar.

6. In het verzoek om een voorlopige voorziening en het bezwaarschrift zijn geen andere omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat de situatie nu verschilt van die ten tijde van het besluit waarbij de asielaanvraag van verzoeker buiten behandeling is gesteld op grond van de Dublinverordening.

7. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting geen redelijke kans van slagen heeft. Van andere belangen die tot de conclusie zouden moeten leiden dat de voorzieningenrechter het verzoek toch moet toewijzen, is niet gebleken. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier, op 24 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1

Vast rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1995)

2

Arrest van het EHRM, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45

3

NL20.10050, deze uitspraak is bevestigd door de ABRvS, zaaknummer 202003801/1/V3