Vreemdelingenrecht. Dublin Slovenië, MOB, geen procesbelang. Beroep niet-ontvankelijk.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.2028
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Mačkić).
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.2029, plaatsgevonden op 3 maart 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit aangegeven dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 23 december 2020 met onbekende bestemming is vertrokken. Daarnaast heeft verweerder bij bericht van 2 maart 2021 bevestigd dat onbekend is waar eiser zich bevindt. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat hij eiser een brief heeft gestuurd en deze niet retour is gekomen, waaruit volgens de gemachtigde zou volgen dat eiser niet met onbekende bestemming zou zijn vertrokken.
2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, wordt geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep, aldus de Afdeling. Dit is slechts anders als een vreemdeling aangeeft dat hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
3. Het betoog van eiser slaagt niet.
4. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021 door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Osmani, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.