ECLI:NL:RBDHA:2021:2145
public
2021-03-09T15:49:50
2021-03-09
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-02-22
NL21.490
Mondelinge uitspraak
NL
Middelburg
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2145
public
2021-03-09T15:47:44
2021-03-09
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBDHA:2021:2145 Rechtbank Den Haag , 22-02-2021 / NL21.490

Mondeling uitspraak. Algerije. Economische redenen. Geen raakvlak met vluchtelingschap of schending van artikel 3 van het EVRM.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.490

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop Bij besluit van 12 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.491, plaatsgevonden op 12 februari 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en heeft telefonisch deelgenomen aan de behandeling ter zitting.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat eiser ter onderbouwing van zijn asielaanvraag alleen verklaringen heeft afgelegd die niet relevant zijn voor de vraag of hij in aanmerking komt voor asielrechtelijke bescherming. Eiser heeft verklaard dat hij zijn land van herkomst Algerije heeft verlaten om economische redenen. Dat zijn leven in sociaaleconomisch opzicht in Algerije zwaar was, levert geen raakvlak op met vluchtelingschap of met schending van artikel 3 van het EVRM. Van een op zijn persoon gerichte onmenselijke of vernederende behandeling is niet gebleken.

2. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat Algerije is aangewezen als veilig land van herkomst en dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat Algerije voor hem persoonlijk niet veilig is. Verweerder heeft er daarbij nog terecht op gewezen dat eiser naar eigen zeggen in Algerije geen hulp of bescherming heeft gezocht. Eiser heeft zijn stelling van het tegendeel in beroep niet (alsnog) onderbouwd.

3. De aanvraag is dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Gelet hierop is conform verweerders beleid terecht aan eiser een vertrektermijn onthouden. Eiser heeft niet onderbouwd waarom dit onjuist is. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2021 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.