ECLI:NL:RBDHA:2021:2243
public
2021-03-18T12:46:50
2021-03-11
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-03-10
C/09/594236 / HA ZA 20-557
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Gravenhage
Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2243
public
2021-03-18T12:46:43
2021-03-18
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBDHA:2021:2243 Rechtbank Den Haag , 10-03-2021 / C/09/594236 / HA ZA 20-557

Hoofdzaak intellectuele eigendom. Incident: verzet tegen schorsing procedure. Overname geding door BV waarin de eenmanszaak van oorspronkelijk eiser is ingebracht. Het verzet tegen de schorsing wordt verworpen.

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/594236 / HA ZA 20-557

Vonnis in incident van 10 maart 2021

MB Trading, Outdoor & Travel B.V.

te [plaats] ,

belanghebbende in de hoofdzaak,

eiseres in het incident houdende schorsing van het geding ex artikel 225 Rv1,

advocaat mr. A.P. Pouw te Leiden,

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam eiser],

te [plaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

advocaat mr. A.P. Pouw te Leiden,

tegen

DE RIDDER B.V.,

te Uitgeest,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident houdende schorsing van het geding ex artikel 225 Rv,

advocaat mr. T.J. van Vugt te Amsterdam.

Belanghebbende en partijen zullen hierna MB Trading O&T, [eiser] en De Ridder genoemd worden.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 8 juni 2020, met productie EP01 tot en met EP26,

  • de conclusie van antwoord van 29 juli 2020, met productie GP01 tot en met GP08;

  • de akte houdende schorsing van het geding ex artikel 225 Rv van [eiser] /MB Trading O&T van 23 december 2020, met producties EP27 tot en met EP29;

  • de antwoordakte houdende schorsing van De Ridder van 20 januari 2021;

  • de akte van [eiser] /MB Trading O&T van 3 februari 2021.

1.2.

Schorsing van het geding dient te worden aangezegd door de belanghebbende bij de schorsing (dat is in dit geval MB Trading O&T). De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de akte houdende schorsing van het geding ex artikel 225 Rv (mede) namens MB Trading O&T is ingediend.

1.3.

Vonnis in het incident is bepaald op heden.

2Het geschil in het incident

2.1.

Bij akte houdende schorsing van het geding ex artikel 225 Rv is aangegeven dat de eenmanszaak van [eiser] onder de naam [handelsnaam eiser] bij notariële akte van 25 september 2020 is ingebracht in MB Trading O&T. In die akte is tevens opgenomen dat alle activa en passiva van de eenmanszaak zijn ingebracht, inclusief de voor de onderhavige procedure in de hoofdzaak relevante merken en bijbehorende vorderingen. MB Trading O&T (dan wel [eiser] ) wenst daarom het geding op de voet van artikel 225 Rv te schorsen.

2.2.

De Ridder voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3De beoordeling in het incident

3.1.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Op basis van artikel 225 lid 1 aanhef en onder c Rv kan het geding worden geschorst bij het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde door een andere oorzaak dan rechtsopvolging onder algemene titel. Een dergelijke andere oorzaak kan rechtsopvolging onder bijzondere titel zijn, zoals de onderhavige inbreng van de eenmanszaak in de besloten vennootschap.

3.2.

De Ridder verzet zich tegen de schorsing en betoogt daartoe dat aan de hand van de door [eiser] /MB Trading O&T overgelegde oprichtings- en/of inbrengakte niet (als voldoende bepaald) kan worden vastgesteld dat de vermeende vorderingen van [eiser] op De Ridder aan MB Trading O&T zijn overgedragen.

3.3.

De rechtbank gaat aan dit betoog als ongegrond voorbij. Van de oprichtingsakte (overgelegd als productie EP27) maakt de “Annex: inbrengbalans, volmacht” (overgelegd als productie EP28) deel uit. In die Annex is in artikel III onder d opgenomen – kort gezegd – dat de in de onderhavige procedure in de hoofdzaak relevante merken worden ingebracht evenals de lopende en toekomstige vorderingen die daarmee verband houden, waarbij expliciet de onderhavige procedure (met zaaknummer) is genoemd. Daarmee kan objectief uit de oprichtingsakte worden herleid dat de vermeende vorderingen van [eiser] in de onderhavige procedure zijn ingebracht in MB Trading O&T. Deze overgang onder bijzondere titel heeft tot gevolg dat de betrekkingen waarin [eiser] het geding voerde, zijn opgehouden in de zin van artikel 225 lid 1 aanhef en onder c Rv.

3.4.

Daarnaast voert De Ridder aan dat hij in de onderhavige procedure in de hoofdzaak heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de daadwerkelijke proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv. Voor wat betreft deze proceskostenveroordeling is volgens De Ridder sprake van schuldoverneming in de zin van artikel 6:155 BW2, wanneer MB Trading O&T in de procedure in de plaats treedt van [eiser] . De daarvoor vereiste toestemming heeft De Ridder niet gegeven, aldus De Ridder.

3.5.

De rechtbank verwerpt ook dit betoog. Het gaat bij de door De Ridder bedoelde proceskostenveroordeling om een (nog) niet-bestaande schuld, waarvan het de vraag is of die zal ontstaan (dat gebeurt enkel wanneer De Ridder in het gelijk wordt gesteld en de vorderingen in de hoofdzaak worden afgewezen). Op niet-bestaande schulden is artikel 6:155 BW niet van toepassing, nu dergelijke schulden niet kunnen worden overgenomen. Voor het geval deze schuld ontstaat, ontstaat die te zijner tijd door de rechterlijke uitspraak in de hoofdzaak over de proceskosten en die schuld dient te worden voldaan door de (rechts)persoon die op dat moment eisende partij is.

3.6.

Het voorgaande betekent dat de procedure in de hoofdzaak is geschorst vanaf het moment waarop [eiser] zijn akte houdende schorsing heeft genomen (23 december 2020). De zaak zal worden verwezen naar de parkeerrol.

3.7.

De Ridder zal als de in het ongelijk gestelde partij bij eindvonnis worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident. De begroting van deze proceskostenveroordeling zal op de voet van artikel 1019h Rv worden aangehouden tot het eindvonnis.

4De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

verwerpt het verzet van De Ridder tegen schorsing van het geding;

4.2.

houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

4.3.

verstaat dat het geding is geschorst vanaf 23 december 2020;

4.4.

verwijst de zaak naar de parkeerrol van 6 oktober 2021.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.Th. van Walderveen en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 10 maart 2021.

1

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2

Burgerlijk Wetboek