ECLI:NL:RBDHA:2021:2368
public
2021-03-23T09:00:30
2021-03-15
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-03-09
NL21.1600
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Den Haag
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2368
public
2021-03-16T10:36:02
2021-03-23
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBDHA:2021:2368 Rechtbank Den Haag , 09-03-2021 / NL21.1600

AA, Iran, problemen wegens detentie door de autoriteiten en verkrachting en mishandeling in Iran, beroep ongegrond

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.1600

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

mede namens haar minderjarige kind, [minderjarige kind]

V-nummer: 2872928132

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).

Procesverloop Bij besluit van 27 januari 2021 (het bestreden besluit)) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast is aan eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaald tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Tot slot is aan eiseres geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 6.1e van het Vb 2000.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. Yap, haar gemachtigde. Als tolk was A. Deachamany (4877) via een telefoonverbinding aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1981.

2. Eiseres heeft op 9 mei 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres stelt dat terugkeer naar Iran in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. detentie vanwege problemen met ex-(eerste) man met de autoriteiten;

3. verkrachting en mishandeling (tweede man en zijn collega’s) in Iran;

4. verkrachting door gids [A] en mensensmokkelaar;

5. afwending van de islam.

Verweerder acht de elementen 1, 4 en 5 geloofwaardig. Verweerder acht de elementen 2 en 3 niet geloofwaardig. Verweerder heeft aan de ongeloofwaardigheid van de elementen 2 en 3 ten grondslag gelegd dat eiseres inconsistente en wisselende verklaringen heeft afgelegd. Volgens verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt wanneer, hoe lang en waarom zij gedetineerd is door de Iraanse autoriteiten. Eiseres heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij is verkracht en mishandeld door haar tweede man, [B] , en zijn collega’s. Eiseres kan volgens verweerder niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de geloofwaardig geachte elementen zijn volgens verweerder onvoldoende zwaarwegend om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

4. Eiseres voert aan dat de zienswijze als herhaald en ingelast beschouwd dient te worden.

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op hetgeen eiseres in de zienswijze heeft aangevoerd. Voor zover eiseres in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele herhaling van de zienswijze in beroep niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Detentie vanwege problemen met ex-(eerste) man met de autoriteiten;

5. Eiseres voert aan dat verweerder de detentie van eiseres ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiseres stelt dat zij voldoende consistent heeft verklaard over de periode en duur van haar twee detenties in de Adelabad gevangenis in de zomerperiode van 2003 en 2004. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte verwacht dat zij de exacte data en duur van haar detenties weet te reproduceren. Eiseres stelt dat verweerder er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat eiseres last heeft van psychische problemen, o.a. dat zij door emotionele blokkades moeite heeft zich bepaalde zaken te herinneren. In beroep heeft eiseres een brief van Zorgbedrijf i-Psy van 26 januari 2021 overgelegd waarin een beschrijvende diagnose van de psychische klachten van eiseres en een weergave van de voortgang van haar behandeling is opgenomen. Uit de brief blijkt dat er sprake is van een posttraumatische stressstoornis en een persisterende depressieve stoornis. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte deze medische informatie niet heeft afgewacht. Eiseres verwijst tevens naar de zienswijze, waarin zij een aanvraag heeft gedaan voor nader medisch onderzoek (op grond van artikel 18 van de procedurerichtlijn).

5.1.

Verweerder heeft eiseres terecht tegengeworpen dat zij inconsistent en wisselend heeft verklaard over de periode en duur van haar detentie. Verweerder heeft ingezien dat eiseres moeite kan hebben met het herinneren van data en mogelijk emotionele blokkades voelt, maar heeft van eiseres mogen verwachten dat zij in enige mate consistent kan verklaren over haar detentie. Te meer nu haar detentie (mede) ten grondslag ligt aan haar asielaanvraag. Anders dan eiseres stelt heeft verweerder niet van eiseres verwacht dat zij exacte data kan reproduceren. Verweerder heeft ‘de zomer van 2003 of 2004’ te algemeen kunnen achten. Verweerder heeft ook terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij wisselend heeft verklaard over de duur van haar opsluiting, enerzijds 24 uur en anderzijds 2-3 weken.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de gesteldheid van eiseres, haar persoonlijke omstandigheden en het FMMU-advies, zowel tijdens het gehoor als tijdens de besluitvormingsfase. Tijdens de gehoren is meerdere keren aan eiseres gevraagd hoe zij zich voelde. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien om over te gaan tot nader medisch of forensisch onderzoek, nu eiseres in dat kader in de besluitvormingsfase geen stukken heeft ingebracht.

6. Eiseres stelt dat het niet aan haar te wijten is dat ze summier heeft verklaard over haar veroordeling. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte verwacht dat zij de detentie en het juridische proces kan onderbouwen met documenten. Eiseres meent dat zij door de Iraanse autoriteiten buiten wettig is gedetineerd. In dit kader wordt door eiseres verwezen naar verschillende bronnen, waaruit blijkt dat de Iraanse autoriteiten zich schuldig maken aan ernstige mensenrechtenschendingen, waarbij geen sprake is van enige vorm van rechtsbescherming.1Eiseres voert voorts aan dat het niet vreemd is dat zij destijds niet wist waarom zij gedetineerd was. Inmiddels weet eiseres dat de inlichtingendienst via haar informatie probeerde te verzamelen over haar voortvluchtige ex-(eerste) man. Eiseres voert aan dat zij is opgepakt als familielid van een persoon die gezocht wordt.

6.1.

Eiseres betoogt dat zij op geen enkele wijze toegang tot haar dossier heeft gehad. Eiseres stelt dat verweerder zich ten onrechte op de ambtsberichten inzake Iran van 2004 en 20052 baseert, waaruit zou blijken dat dergelijke documenten wel te verkrijgen zijn. Verweerder heeft de verklaringen van eiseres dat de inlichtingendienstminstens zes keer aan haar deur is geweest, eiseres is gearresteerd, verhoord, veroordeeld en vrijgelaten, terwijl eiseres daar nooit enig document van heeft ontvangen of gezien niet ten onrechte bevreemdend geacht. Verweerder heeft verder niet ten onrechte betrokken dat eiseres summiere verklaringen heeft afgelegd over de redenen van haar detentie. Eiseres heeft verklaard dat zij er pas tijdens haar detentie achter kwam waarom ze gedetineerd was. De inlichtingendienst probeerde informatie over haar ex-(eerste) man via haar te vergaren.

De rechtbank merkt op dat eiseres ter zitting, geconfronteerd met de vraag waarom haar ex-(eerste) man geen bijdrage heeft geleverd aan de onderbouwing van haar asielrelaas, heeft verklaard dat ze niet wilde dat haar eerste ex-(eerste) man af zou weten van haar situatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit – bezien in samenhang met het voornemen - deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres over haar arrestatie, detentie en veroordeling ongeloofwaardig zijn.

Verkrachting en mishandeling in Iran

7. Eiseres voert aan dat verweerder de verkrachting van eiseres ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiseres stelt dat zij consistent heeft verklaard over de tijdlijn van de verkrachting door haar tweede man [B] en zijn collega’s. Eiseres betoogt ook dat verweerder geen rekening heeft gehouden met haar psychische gesteldheid, als gevolg van de enorme impact van de verkrachting op haar vermogen om hieromtrent adequaat te verklaren. Eiseres verwijst naar een bron van Faqt.nl.2Eiseres stelt dat zij bij terugkeer naar Iran vreest voor eerwraak, om door [B] en zijn familie vermoord te worden.

7.1.

De rechtbank overweegt dat eiseres details van de verkrachting heeft verteld die aannemelijk maken dat verkrachting heeft plaatsgevonden. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat eiseres wisselend heeft verklaard over het moment dat zij is verkracht. Verweerder heeft de toelichting van eiseres, dat zij door haar psychische klachten geen exacte data kon noemen, voldoende gemotiveerd verworpen.

8. Eiseres stelt dat zij duidelijk uitlegt waarom zij geen aangifte heeft gedaan van haar verkrachting en mishandeling. Eiseres verwijst naar de zienswijze, waarin zij verklaart dat de kans van slagen van aangifte nihil was. Eiseres betoogt dat tegen verkrachting en andere seksuele handelingen zonder toestemming binnen het huwelijk geen bescherming van Iraanse autoriteiten kan worden gekregen, omdat deze handelingen niet strafbaar zijn. Eiseres verklaart in de zienswijze dat het doen van aangifte van huiselijk geweld geen kans van slagen heeft, omdat er getuigen moeten zijn van dit geweld. Eiseres stelt dat verweerder te veel waarde hecht aan het standpunt dat zij aangifte zou moeten hebben gedaan. Eiseres betoogt verder dat niet verwacht kan worden dat zij medische rapporten van het ziekenhuis zou hebben overgelegd, omdat zij in het ziekenhuis niet de (seksuele) mishandeling als reden heeft opgegeven voor haar lichamelijke verwondingen.

8.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte eiseres heeft tegengeworpen dat ze geen aangifte heeft gedaan. Het is voor haar rekening dat zij in het ziekenhuis de toedracht van haar verwondingen niet heeft verteld en daardoor niet met fysiek bewijs naar de politie kon gaan.

9. Eiseres voert voorts aan dat zij in aanmerking dient te komen voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Terugkeer naar Iran zou strijd opleveren met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu eiseres in het verleden reeds negatief is bejegend door de autoriteiten en gevaar loopt om vermoord te worden door [B] en haar schoonfamilie. Daarbij heeft eiseres ter zitting benadrukt dat zij afvallig is van de islam en dat zij als westerse vrouw in Nederland leeft. Eiseres draagt geen hoofddoek en is vrij haar mening te uiten. Eiseres betoogt dat haar huidige levensstijl niet overeenkomt met de cultuur in Iran. Eiseres stelt dat het risico op bestraffing in Iran vanwege afvalligheid daarom groot is.

9.1.

Nu verweerder het asielrelaas van eiseres ten aanzien van de bejegening door de autoriteiten en het asielrelaas ten aanzien van [B] ongeloofwaardig heeft geacht,

heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Ten aanzien van haar afwending van de islam, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres heeft aangegeven geen uiting te zullen geven aan haar afwending en daarom geen problemen verwacht. De enkele omstandigheid dat wellicht haar uiterlijk is veranderd, is onvoldoende om problemen te verwachten vanwege (toegedichte) afwending van de islam.3 Gelet daarop mag van eiseres worden verwacht dat zij zich zal houden aan de kledingvoorschriften in het land van herkomst. Eiseres komt evenmin in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

10. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.Y. Majoor, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1

https://www.amnesty.nl/actueel/executie-van-djalali-uit-iran-mogelijk-aanstaande, https://www.amnesty.nl/forms/urgentaction-iran-nahid en https://www.amnesty.nl/actueel/in-iran-dreigt-executie-van-acht-mannen-van-de-baluchi-en-ahwazi-minderheid en https://www.amnesty.nl/actueel/iran-marteling-van-gevangenen-na-neerslaan-protesten-in-november-2019.

2

http://www.faqt.nl/recent/hoe-het-geheugen-werkt-bij-seksuele-aanvallen/

3

Werkinstructie 2014/10.