Mondelinge uitspraak. Partijen zijn het eens over de hoogte van de boete. Beroep gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/2915
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2021 in de zaak tussen
[onderneming] , statutair gezeteld in [zetel] , Verenigd Koninkrijk, gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Kram).
Procesverloop
In het besluit van 5 april 2019 (primair besluit) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 2.565,- wegens overtreding van de Meststoffenwet en daarop gebaseerde regelgeving.
In het besluit van 24 juni 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak naar de rechtbank Den Haag gestuurd.
Verweerder heeft een aanvulling op het verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft per videoverbinding plaatsgevonden op 10 maart 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit, voor zover verweerder daarbij aan eiseres een boete heeft opgelegd van € 2.565,-, en bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 540,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.602,-.
Overwegingen
Niet in geschil is dat eiseres de Meststoffenwet en daarop gebaseerde regelgeving heeft overtreden. Verder staat vast dat verweerder hiervoor een boete mag opleggen. De rechtbank heeft ter zitting met partijen vastgesteld dat deze boete € 540,- moet zijn in plaats van € 2.565,-. Daarom beslist de rechtbank zoals weergegeven onder het kopje ‘Beslissing’. Bij het bepalen van de hoogte van de proceskosten is de rechtbank uitgegaan van 3 punten (bezwaarschrift, beroepschrift en zitting), met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1.
Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 10 maart 2021 door mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.
|
Griffier rechter |
Griffier rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.