ECLI:NL:RBDHA:2021:2874
public
2021-03-26T11:04:14
2021-03-26
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-03-23
NL20.12887
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Middelburg
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2874
public
2021-03-26T11:01:05
2021-03-26
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBDHA:2021:2874 Rechtbank Den Haag , 23-03-2021 / NL20.12887

BNT. overmacht. WBV 2020/12.

n-o voor zover gericht tegen niet tijdig nemen van besluit. Ongegrond voor zover het beroep de verschuldigdheid van de bestuurlijke dwangsommen betreft.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12887

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

v-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. D.P.J. Cain),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 23 juni 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag.

Op 17 juli 2020 is alsnog op de asielaanvraag van eiseres beslist, waarbij tevens is bepaald dat aan eiseres geen dwangsom verschuldigd is.

Bij bericht van 17 september 2020 heeft de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat het beroep wordt gehandhaafd.

De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Ingevolge artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Met de inwilliging van de aanvraag heeft eiseres bereikt wat zij met het beroep beoogde. Niet is gebleken van enig belang van eiseres bij het alsnog gegrond verklaren van het beroep. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk.

2. Ingevolge artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen de beschikking op aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Ook in dit verband geldt op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb dat het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk wordt gesteld.

3. Op grond van artikel 4:17 van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, met een maximum van 42 dagen en €1442.

4. In het dwangsombesluit van 17 juli 2020 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is. Volgens verweerder zijn in de periode van 16 maart 2020 tot aan de datum van het combinatiegehoor geen dwangsommen verbeurd, als gevolg van de maatregelen die de Nederlandse regering heeft genomen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Eiseres meent dat geen sprake is geweest van overmacht aan de zijde van verweerder en stelt dat verweerder de bestuurlijke dwangsom is verschuldigd van 30 mei 2020 tot en met 17 juli 2020.

5. Eiseres heeft op 6 oktober 2019 een asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent in beginsel dat verweerder op 6 april 2020 een beslissing had moeten nemen op de asielaanvraag.

6. Als vaststaand geldt inmiddels dat verweerder van 16 maart 2020 tot 16 mei 2020 vanwege overmacht niet in staat was om asielgehoren af te nemen en als gevolg daarvan niet kon beslissen in de daardoor geraakte procedures. Deze overmacht schortte de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit zelfstandig op.1

7. Ten tijde van het intreden van de overmacht was de wettelijke beslistermijn in dit geval nog niet verstreken. Gelet op de opschorting van de resterende beslistermijn diende verweerder uiterlijk op 6 juni 2020 te beslissen op de aanvraag. Op die datum was het WBV2 2020/12 inmiddels in werking getreden. Hiermee maakte verweerder, conform de Procedurerichtlijn3, gebruik van zijn bevoegdheid op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 om de beslistermijn met zes maanden te verlengen.4 Als gevolg hiervan had verweerder tot 6 december 2020 de tijd om op de aanvraag te beslissen. Dat betekent dat verweerder ten tijde van het indienen van het beroepschrift (nog) niet in gebreke was. Verweerder heeft dus geen bestuurlijke dwangsommen verbeurd. Het beroep is in zoverre ongegrond.

8. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;

  • verklaart het beroep ongegrond, voor zover het de verschuldigdheid van bestuurlijke dwangsommen betreft.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2949.

2

Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000; Staatscourant 2020, 26964.

3

Richtlijn 2013/32/EU.

4

Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3020.