MOB, beroep niet-ontvankelijk, Bulgaarse statushouder
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.1602
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: G. Cambier).
Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.1604, plaatsgevonden op 12 maart 2021 te Breda. Eiser is, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. De gemachtigde van eiser heeft op 12 februari 2021 laten weten dat hij en eiser niet aanwezig zullen zijn op de zitting.
2. Verweerder heeft op zitting verklaard dat volgens zijn registratie eiser op 5 februari 2021 het AZC heeft verlaten en dat hij per 17 februari 2021 is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’. Verweerder heeft toegelicht dat hij naar aanleiding daarvan op 10 maart 2021 telefonisch contact heeft gehad met de gemachtigde van eiser, en dat de gemachtigde heeft verteld dat hij niet wist dat eiser met onbekende bestemming vertrokken is en dat hij vermoedde dat eiser bij familie in Amsterdam verblijft. Verweerder heeft daaraan nog toegevoegd dat de gemachtigde na dat telefonisch contact niet alsnog heeft laten weten waar eiser nu feitelijk verblijft en/of dat er contact is geweest met eiser.
3. De rechtbank gaat af op deze informatie en leidt daaruit af – mede gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling1 – dat eiser zijn gemachtigde niet heeft laten weten waar hij verblijft en dat zij blijkbaar geen contact (meer) met elkaar onderhouden. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser geen prijs meer stelt op asielrechtelijke bescherming in Nederland. Eiser heeft dus geen belang meer bij de beoordeling van dit beroep.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2021 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.