ECLI:NL:RBDHA:2021:3226
public
2021-04-02T10:50:16
2021-04-02
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-03-19
NL21.2752
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Middelburg
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:3226
public
2021-04-02T10:47:42
2021-04-02
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBDHA:2021:3226 Rechtbank Den Haag , 19-03-2021 / NL21.2752

Gronden van beroep te laat ingediend, niet gebleken van een technische storing, beroep n-o

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.2752

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zande).

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.2753, plaatsgevonden op 19 maart 2021. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Eisers gemachtigde heeft op 24 februari 2021 beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. Bij digitaal bericht van 25 februari 2021 heeft de griffier de gemachtigde er op gewezen dat de gronden van beroep ontbraken. Eiser is in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen na het bericht de gronden digitaal aan de rechtbank kenbaar te maken. Daarbij is er op gewezen dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren indien de gronden niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen. De rechtbank heeft binnen deze termijn geen gronden ontvangen.

3. De griffier heeft naar aanleiding hiervan op 12 maart 2021 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van eiser. De gemachtigde heeft vervolgens dezelfde dag gronden van beroep ingediend, vergezeld van een toelichting op het eerdere ontbreken van gronden.

4. De gemachtigde stelt dat voor zover hem bekend is, het beroeps- en verzoekschrift ingediend zou moeten zijn op 2 maart 2021, maar hij heeft niet toegelicht of hij hiervan een bevestiging heeft ontvangen. Verder heeft hij gewezen op een in deze zaak ontvangen foutmelding, echter zonder te verduidelijken wanneer en in verband met welke handeling in het digitale systeem deze is ontvangen.

5. Uit de informatie in MWO blijkt niet van een storing of onderhoud op 2 maart 2021. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een storing ten tijde van het indienen van de beroepsgronden. Overigens leidt de rechtbank uit de reactie van 12 maart 2021 af dat de gemachtigde niet met zekerheid kan zeggen wanneer hij heeft getracht om beroepsgronden in te dienen. Als al zou moeten worden uitgegaan van een storing, is daarmee niet komen vast te staan dat de gemachtigde niet alsnog gelegenheid heeft gehad om binnen de gegeven termijn het vastgestelde verzuim te herstellen.

6. De gemachtigde is niet ter zitting verschenen om een en ander verder toe te lichten.

Indien een verzuim niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn wordt hersteld, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij aan de partij die het betreft geen verwijt kan worden gemaakt.

7. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2021 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.X. Scholten, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.