De rechtbank Den Haag heeft in een WOTS-procedure de tenuitvoerlegging in Nederland van een in Turkije gewezen vonnis ontoelaatbaar verklaard omdat de executie van deze straf naar Nederlands recht is verjaard. De veroordeling is in Turkije op 23 februari 2004 onherroepelijk geworden. Het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is verduistering in dienstbetrekking. De tenuitvoerleggingstermijn van een opgelegde straf is dan 16 jaar. Die termijn is al op 23 februari 2020 geëindigd.
RECHTBANK DEN HAAG
Strafrecht
kenmerk WTS-I-2019024925
raadkamernummer 21/584
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, meervoudige kamer belast met de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van 16 april 2021, op de vordering van
31 maart 2020 (de rechtbank begrijpt: 2021) van de officier van justitie bij deze rechtbank strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de straf die bij vonnis van het Istanbul 7th Heavy Penal Court te Turkije van
28 mei 2003 is opgelegd aan:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verder te noemen: de veroordeelde.
1Het verzoek tot tenuitvoerlegging en de verstrekte stukken
Het verzoek tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van het Istanbul 7th Heavy Penal Court te Turkije van 28 mei 2003 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren opgelegd. Dit vonnis is bekrachtigd door de Turkse Hoge Raad op 23 februari 2004.
Bij note verbale van 19 oktober 2020 van de ambassade van Turkije aan het ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland is verzocht om de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis over te nemen, aangezien een eerder verzoek om uitlevering niet is ingewilligd.
Bij brief van 17 november 2020 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) te Den Haag, is verzocht om het verzoek in behandeling te nemen.
De door de staat van veroordeling verstrekte stukken
Voormeld verzoek is vergezeld van en/of in voormeld verzoek is het volgende opgenomen:
een afschrift van het vonnis van het Istanbul 7th Heavy Penal Court van 28 mei 2003 en het arrest van de Turkse Hoge Raad van 23 februari 2004, en de wettelijke bepalingen die daaraan ten grondslag liggen, alsmede een afschrift van het aanvullend vonnis van 7 mei 2004 van het 7th Heavy Penal Court.
Veroordeelde is in Turkije veroordeeld voor verduistering krachtens de bankwet, gepleegd op 20 april 2001. Zij zou als baliemedewerker van een bank van andermans spaarrekening een bedrag van 30.000 Duitse mark hebben overgemaakt naar een spaarrekening en (vervolgens) een bedrag van 27.000 Duitse mark hebben omgewisseld in Turkse Lira’s en opgenomen;
-
een proces-verbaal van onderzoek dossier met daarin een uiteenzetting van de in Turkije gevolgde procedure;
-
een opgave betreffende het mogelijk reeds ondergane gedeelte van een veroordeling, daaronder begrepen inlichtingen omtrent voorlopige hechtenis, strafvermindering en elke andere voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling ter zake dienende omstandigheid.
Uit de stukken komt naar voren dat de veroordeelde in Turkije nog niets van de opgelegde straf heeft uitgezeten. De veroordeelde komt naar Turks recht voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking na het uitzitten van 2 jaar, 4 maanden en 29 dagen. De executie verjaart met 20 jaren, dus op 23 februari 2024.
De overige verstrekte stukken
In het dossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:
-
een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 maart 2021, betreffende de veroordeelde;
-
stukken met betrekking tot de aanhouding en de detentie in Nederland van de veroordeelde;
1 maart 2021: inverzekeringstelling
2 maart 2021: bevel bewaring
2 maart 2021: schorsing bevel bewaring
-
de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Den Haag van 31 maart 2020 (de rechtbank begrijpt: 2021), strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het veroordelend buitenlands gerecht;
-
de schriftelijke conclusie van de officier van justitie te Den Haag, overgelegd ter terechtzitting op 16 april 2021;
-
de pleitnotities van de raadsman van de veroordeelde, overgelegd ter terechtzitting op 16 april 2021.
2Het onderzoek ter terechtzitting
De behandeling
Het onderzoek ter terechtzitting is in het openbaar gehouden op 16 april 2021. Aldaar is mededeling gedaan van het verzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken.
Veroordeelde, bijgestaan door mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, is ter terechtzitting gehoord.
Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat zij voornoemde persoon is, dat zij de Turkse en de Nederlandse nationaliteit heeft, dat zij haar vaste woon- en verblijfplaats heeft in Nederland en dat het vonnis waarbij zij in Turkije is veroordeeld haar bekend is.
Namens het openbaar ministerie is ter zitting verschenen officier van justitie mr. A.M. Ariese.
De conclusie van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aan de rechtbank zijn schriftelijke conclusie overgelegd, daartoe strekkende dat de rechtbank verlof zal verlenen tot tenuitvoerlegging in Nederland van de genoemde rechterlijke beslissing en aan de veroordeelde zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van voorarrest. Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, opdat aan de Turkse autoriteiten nadere inlichtingen kunnen worden verzocht omtrent eventuele stuiting van de verjaring van de tenuitvoerlegging door een bevel aanhouding dat ten aanzien van de veroordeelde is gegeven.
Het standpunt van de veroordeelde
Namens de veroordeelde is primair bepleit dat de tenuitvoerlegging zou moeten worden geweigerd en subsidiair dat een werkstraf zou moeten worden opgelegd.
3Beoordeling van de toelaatbaarheid
Op het verzoek is naast de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: de WOTS), het Europees Verdrag inzake de Internationale Geldigheid van Strafvonnissen (hierna: EVIG) van toepassing.
Het verzoek en de bijgevoegde stukken voldoen aan de in voormeld verdrag gesteld eisen. Het wetsartikel waarop naar Turks recht de veroordeling berust is overgelegd. Deze veroordeling is onherroepelijk. Of de Turkse rechter het juiste wetsartikel heeft toegepast staat niet ter beoordeling van de exequatur rechter. De stukken zijn derhalve genoegzaam.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat voldaan is aan het bepaalde in de artikelen 3, 4 en 7 van de WOTS en de artikelen 3, 4, 5 en 7 van het EVIG.
De rechtbank is echter van oordeel dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6, eerste lid van de WOTS en artikel 6, aanhef en onder l van het EVIG. Artikel 6, eerste lid van de WOTS bepaalt dat een in een vreemde staat opgelegde sanctie in Nederland niet kan worden tenuitvoergelegd indien het recht tot uitvoering van de straf naar Nederlands recht zou zijn verjaard. Indien naar Nederlands recht sprake is van een (fictieve) executieverjaring, dient de tenuitvoerlegging in Nederland in strijd met een grondbeginsel van de Nederlandse rechtsorde te worden geacht en daarom te worden geweigerd. Artikel 6, aanhef en onder l, van het EVIG bevat ter zake een facultatieve weigeringsgrond die door artikel 6, eerste lid, van de Nederlandse wet is omgezet in een imperatieve. In de Memorie van Toelichting wordt geen aandacht geschonken aan de beoordeling van de fictieve executieverjaring naar Nederlands recht. Aangenomen mag worden dat, net als dat bij de uitlevering het geval is, aan de hand van de door de staat van veroordeling verstrekte gegevens zal moeten worden nagegaan of naar Nederlands recht van verjaring sprake zou zijn geweest. Hierbij dient
de methode van de sinngemässe Umstelling te worden toegepast.1
Veroordeelde is in Turkije veroordeeld voor verduistering krachtens de bankwet. Het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is verduistering in dienstbetrekking, strafbaar gesteld bij artikel 322 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarop staat maximaal 4 jaar gevangenisstraf. Het recht tot strafvordering voor dit misdrijf vervalt ingevolge artikel 70, eerste lid sub 3 Sr na 12 jaar en de tenuitvoerleggingstermijn van een opgelegde straf vervalt ingevolge artikel 6:1:22, tweede lid Sv (voorheen artikel 76, tweede lid Sr) na 16 jaar (een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering).
De termijn van fictieve executieverjaring naar Nederlands recht zou aangevangen zijn op 24 februari 2004 (de dag na de uitspraak van de Turkse Hoge Raad) en is daarom al geëindigd op 23 februari 2020.
Overname van de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland is derhalve niet toelaatbaar.
De rechtbank ziet geen noodzaak om, zoals door de officier van justitie is verzocht, bij de Turkse autoriteiten nadere inlichtingen te vragen of de executieverjaring mogelijk in Turkije is gestuit. Bij de overgelegde stukken bevindt zich een bevel tot aanhouding van de veroordeelde van 7 december 2009. Dit bevel heeft kennelijk geen stuitende werking gehad aangezien ook na dat bevel aanhouding, namelijk in de beschikking d.d. 21 februari 2019 met beschikkingsnummer 2004/1-1040 en het proces-verbaal van onderzoek dossier van diezelfde datum door het Turkse openbaar ministerie als verjaringsdatum van de strafveroordeling nog steeds de voordien genoemde datum van 23 februari 2024 wordt genoemd.
4Beslissing
De rechtbank,
verklaart de tenuitvoerlegging van het vonnis van het Istanbul 7th Heavy Penal Court van 28 mei 2003, bevestigd bij arrest van 23 februari 2004 van de Hoge Raad van Turkije, ontoelaatbaar;
heft op het geschorste bevel tot bewaring.
Deze uitspraak is gewezen door:
mr. M.T. Renckens, voorzitter,
mr. E.A.G.M. van Rens, rechter,
mr. A.M.A. van Keulen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Kok griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 16 april 2021.
Mr. D.J.M.W. Paridaens, De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, een onderzoek naar de voorwaarden van Nederlands recht, Arnhem, Gouda Quint 1994.