ECLI:NL:RBDHA:2021:4690
public
2021-05-06T10:15:08
2021-05-06
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-04-14
NL21.3662
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Rotterdam
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:4690
public
2021-05-06T10:10:40
2021-05-06
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBDHA:2021:4690 Rechtbank Den Haag , 14-04-2021 / NL21.3662

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres, waaronder mede begrepen haar vier minderjarige kinderen, afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft niet geloofwaardig bevonden dat eiseres is gevlucht wegens aanstaande besnijdenis.

Verweerder heeft niet in strijd gehandeld met artikel 3.113, tweede lid, van het Vb of artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder gelet op de ongerijmde, algemene en summiere verklaringen het relaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden.

Eiseres heeft onder meer geen informatie overgelegd waaruit anders dan de door verweerder overgelegde algemene informatie blijkt dat vrouwenbesnijdenis gebruikelijk is binnen haar bevolkingsgroep. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.3662

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres,

V-nummer: [nummer 1]

mede namens haar minderjarige kinderen

[naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2015,

V-nummer: [nummer 2] ,

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2016,

V-nummer: [nummer 3] ,

[naam kind 3] , geboren op [geboortedatum kind 3] 2018,

V-nummer: [nummer 4] ,

[naam kind 4] , geboren op [geboortedatum kind 4] 2020,

V-nummer: [nummer 5] ,

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. ).

Procesverloop Bij besluit van 11 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van

eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene

procedure afgewezen als ongegrond. Daarnaast is bepaald dat eiseres niet in aanmerking

komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en wordt aan haar geen uitstel

van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021 in Dordrecht. Eiseres is

verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum eiseres]

. Eiseres legt – samengevat weergegeven - aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij

Nigeria heeft verlaten omdat haar familie en gemeenschap haar wilde besnijden voordat zij

beviel. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiseres voor besnijdenis van zowel zichzelf als haar

dochter, [naam kind 2] .

2.1.

Het asielrelaas bevat de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- eiseres is gevlucht wegens aanstaande besnijdenis.

Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig.

Verweerder heeft echter niet als geloofwaardig aangemerkt dat eiseres is gevlucht omdat zij

zou worden besneden. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond

op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

3. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen,

doordat tijdens de gehoren geen rekening is gehouden met het advies van het Forensisch

Medische Maatschappij Utrecht (FMMU)van 14 september 2020. Eiseres verwijst in dit

kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 10 maart

2021, NL20.10956 en de annotatie bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State, van 17 januari 2020, ECLI;NL:RV2:2020:136 van K. Zwaan en E.

Bloemen, JV 2020/54), paragraaf 5 van Werkinstructie 2010/13 en paragraaf 3.2.2. van

Werkinstructie 2014/10.

3.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zowel

tijdens het gehoor als tijdens de besluitvormingsfase voldoende rekening heeft gehouden

met het FMMU-advies. In het advies van FMMU staat dat eiseres kan worden gehoord,

maar dat zij moeite heeft met het benoemen van geografische en tijdsaanduidingen. Tijdens

het nader gehoor is aangegeven dat rekening wordt gehouden met de opmerking dat eiseres

moeite heeft met data en plaatsen. Eiseres verklaarde toen dat er data zijn die zij weet, maar

ook data die zij niet weet en dat zij geen dingen gaat noemen die zij niet meer weet (pagina

3). Gelet hierop heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat mag

worden uitgegaan van de data en plaatsen die eiseres tijdens het gehoor wél en op eigen

initiatief heeft genoemd. Ondanks dat het nader gehoor een aantal keren is onderbroken

(pagina 7, 8), blijkt nergens uit dat verweerder niet heeft mogen uitgaan van wat eiseres

heeft verklaard. Tot op de zitting is ook niet onderbouwd welke verklaringen onjuist zouden

zijn of welke verklaringen ten onrechte niet (volledig) zijn genoteerd. Eiseres heeft aan het

einde van het gehoor ook verklaard dat het goed ging (pagina 10).

Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 10

maart 2021 treft geen doel. Uit rechtsoverweging 18 van die uitspraak blijkt dat verweerder

nagenoeg alle tegenwerpingen in die zaak heeft gebaseerd op het niet kunnen reconstrueren

van de tijdlijn. In onderhavig beroep is dat anders. De tegenwerpingen zijn niet gebaseerd op (fouten) in geografische en tijdsaanduidingen, maar op de eigen verklaringen van eiseres over haar leeftijd en die van haar zussen (in relatie tot de leeftijd van hun moeder).

4. Eiseres betoogt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 3.113, tweede

lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), waarin artikel 16 van Richtlijn 2013/32/EU

(Procedurerichtlijn) is geïmplementeerd door haar voor het eerst in het voornemen te

overvallen met tegenstrijdigheden. Ter onderbouwing verwijst zij naar de uitspraak van de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 december 2020

ECLI:NL:RVS:2020:2959 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 3

augustus 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:6510.

4.1.

Artikel 3.113, tweede lid, van het Vb, voor zover relevant, luidt:

Op de derde dag wordt de vreemdeling door Onze Minister aan een nader gehoor

onderworpen. Bij het afnemen van het nader gehoor wordt de vreemdeling in de

gelegenheid gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn aanvraag noodzakelijke

elementen aan te voeren. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid

wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over

inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.

4.2.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat hij

niet in strijd met artikel 3.113, tweede lid, van het Vb of artikel 16 van de Procedurerichtlijn

heeft gehandeld. Eiseres heeft in haar vrije relaas verklaard dat zij twintig jaar oud was toen

zij in Nigeria ziek werd en erachter kwam dat zij zwanger was, waarna haar familie zei dat

zij moest worden besneden voordat ze zou bevallen (pagina 4). In het bestreden besluit is dit

eiseres tegengeworpen, omdat uit Eurodac blijkt dat zij op 17 november 2014 asiel heeft

aangevraagd in Italië. Op dat moment was eiseres negentien jaar oud. De Eurodacregistratie

is feitelijke informatie en kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gelijkgesteld

met een verklaring waarmee eiseres gedurende het gehoor moest worden geconfronteerd.

Overigens is in het nader gehoor aan eiseres ter controle nader gevraagd of haar verklaring

dat in haar dorp alle meisjes van negentien of twintig jaar moeten worden besneden, klopt.

Eiseres herhaalde toen nogmaals dat zij twintig jaar was en ook moest worden besneden

(pagina 6).

4.3.

Eiseres is ook tegengeworpen dat zij wisselend of tegenstijdig heeft verklaard over

het moment dat zij erachter kwam dat binnen haar gemeenschap besnijdenissen

plaatsvonden. Gedurende het nader gehoor heeft de gehoorambtenaar aan eiseres nadere

vragen gesteld die te maken hadden met het moment waarop eiseres erachter kwam dat

besnijdenissen plaatsvonden binnen haar gemeenschap. Eiseres verklaarde in haar vrije

relaas dat “toen zij opgroeide” iedereen begon te zeggen dat zij besneden moest worden. Zij

zei dat zij dat niet wilde (pagina 4). Verweerder heeft vervolgens gevraagd of zij altijd al

wist dat zij zou worden besneden. Eiseres verklaarde hierop dat zij dit niet wist toen zij

klein was. Toen zij zag dat meisjes naar het bos werden gebracht om te worden besneden en

kwamen te overlijden, was zij al groot (pagina 6). Op de vraag hoe oud zij was toen zij

begreep dat besnijdenissen plaatsvonden binnen haar gemeenschap, heeft eiseres

geantwoord dat zij negentien was. Verweerder heeft eiseres weliswaar niet tijdens het nader

gehoor hiermee geconfronteerd maar in de correcties en aanvullingen heeft eiseres er niets

over gezegd en noch in de zienswijze noch in de beroepsgronden of ter zitting heeft eiseres

op deze tegenwerping inhoudelijk gereageerd. Verweerder had een reactie van eiseres in de

correcties en aanvullingen of in de zienswijze kunnen geven, waarna verweerder die in het

bestreden besluit had kunnen meenemen. Ook in beroep (als dat in de zienswijze niet lukte)

had eiseres een reactie kunnen geven. Zij heeft in beroep met name op algemene informatie over besnijdenis in Nigeria gewezen en niet op verweerders stelling op dit punt. Eiseres is

dus op geen enkele wijze benadeeld. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank de

handelwijze van verweerder niet in strijd met genoemd artikel 16 van de Procedurerichtlijn.

Dat in de Afdelingsuitspraak van 14 december 2020 waar eiseres naar verwijst is overwogen

dat de mogelijkheid om correcties en aanvullingen in te dienen en om een zienswijze op het

voornemen uit te brengen onverlet laat dat de staatssecretaris eiser in die zaak had moeten

confronteren met de tegenstrijdigheden gaat, treft geen doel. Anders dan in dit geval ging

het in die zaak om een groot aantal tegenstrijdigheden, waarbij de eiser in die zaak met geen

enkele daarvan is geconfronteerd, terwijl dat wel van verweerder gevraagd had mogen

worden. Verweerder had de eiser in die zaak daarmee niet mogen overvallen. Zo’n situatie

is hier niet aan de orde.

5. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig acht dat zij is

gevlucht uit Nigeria vanwege haar aanstaande besnijdenis. Eiseres betoogt ook dat

verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voor haar en meer in het bijzonder haar

minderjarige dochter geen gegronde vrees voor vrouwenbesnijdenis is bij terugkeer naar

Nigeria. Daartoe voert eiseres als eerste aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met

artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn door in zijn

besluitvorming geen nauwkeurige en actuele informatie uit verschillende bronnen te

betrekken, terwijl die er wel is. Hiertoe verwijst eiseres naar:

- het rapport van United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) over de

bescherming van ontheemden, van mei 2020;

- het rapport ‘Country Policy and Information Note Nigeria: Female Genital

Mutilation (FGM), van UK Home office, van augustus 2019;

- het antwoord op de vraag over de verspreiding van vrouwenbesnijdenis, wettelijke

voorschriften en organisaties in Nigeria van Austrian Centre for Country of Origin

& Asylum Research and Documentation (ACCORD), van 9 maart 2020;

- het rapport ‘Nigeria 2019 Human Rights Report’ van U.S. Department of State

(USDOS), van 11 maart 2020;

- het artikel ‘FGM in Nigeria: Combative Legislation and the Issue’s Impact on the Economic Growth of Women’ van Impakter van 25 juni 2019.

Verder stelt eiseres onder verwijzing naar het rapport ‘Country profile: FGM in Nigeria’ van

28 Too Many van oktober 2016 dat het mogelijk is dat zij alsnog wordt besneden. Eiseres

vindt in dit rapport eveneens steun voor haar verklaring dat zij zich meerdere malen heeft

gewend tot de politie voor bescherming tegen deze traditie, maar dat de politie haar niet

helpt. Ook uit het rapport ‘Nigeria: Law and FGM’ van 28 Too Many van juni 2018 en het

rapport ‘Nigeria: Freedom in the World 2017’ van Freedom House blijkt dat hoewel er

wetgeving bestaat die genitale verminking strafbaar stelt, de praktijk wijdverbreid blijft en

het lastig is om dergelijke wetgeving te handhaven, aldus eiseres.

5.1.

De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel

dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet geloofwaardig is dat

eiseres vanwege haar aanstaande besnijdenis is gevlucht uit Nigeria. Haar verklaringen dat

het traditie is dat vrouwen binnen haar gemeenschap op negentien of twintigjarige leeftijd

worden besneden, rijmen niet met informatie uit de openbare bronnen. Verweerder heeft

gewezen op het rapport ‘Female genital cutting in southern urban and peri-urban Nigeria:

self reported validity, social determinantsand secular decline van Snow, Slanger, Okonofue,

Oronsaye en Waker, van januari 2002. Hierin staat dat vrouwenbesnijdenis binnen de bevolkingsgroep waar eiseres bij hoort (Ishan) in vergelijking met de andere

bevolkingsgroepen het minst voorkomt (pagina 94). Hoewel cijfers uit 2002 over

vrouwenbesnijdenis binnen de bevolkingsgroep Ishan waarbij eiseres hoort niet direct iets

zeggen over de huidige situatie, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt

gesteld dat uit de door eiseres overgelegde recentere bronnen niet blijkt dat de situatie is

veranderd. Hierdoor kan verweerder ervan uit gaan dat de situatie van de Ishan op dit punt

niet is gewijzigd en dat de door hem overgelegde informatie actueel en nauwkeurig is.

Verweerder heeft eiseres ook niet ten onrechte tegengeworpen dat zij weinig en summier

heeft verklaard over de gestelde traditie binnen haar gemeenschap. Op de vraag naar de

rituelen die horen bij vrouwenbesnijdenis en naar wie het uitvoert, verklaarde eiseres dat

meisjes naar een bos worden gebracht om te worden besneden door mensen van de

gemeenschap (pagina 6). Op de vraag naar de achterliggende gedachte van

vrouwenbesnijdenis in het nader gehoor verklaarde eiseres enkel dat het traditie is, zonder

hier nadere uitleg over te geven (pagina 8). Verweerder heeft deze verklaringen niet ten

onrechte onvoldoende bevonden. Eiseres haar verklaring dat in de gemeenschap hier niet

veel over wordt gesproken en dat zij daarom hierover niet gedetailleerd kan verklaren,

maakt niet dat van eiseres niet mag worden verwacht dat zij uitvoeriger kan verklaren over

het gebruik waarvoor zij stelt te zijn gevlucht.

5.2.

Hoewel het mogelijk is dat een onbesneden vrouw of meisje als zij terugkeert naar

Nigeria alsnog wordt besneden, heeft verweerder niet ten onrechte gesteld eiseres niet

aannemelijk heeft gemaakt dat dit haar of haar dochter ook zal overkomen. Uit onder meer

uit het rapport ‘Demographic and Health Survey 2013’ van National Population Comission

van juni 2014, pagina 352 – 353 blijkt dat 82% van de vrouwen die worden besneden al

voor hun vijfde leeftijd zijn besneden. Eiseres heeft ongeloofwaardig verklaard over

besnijdenis bij vrouwen van achttien tot twintig jaar. En over besnijdenis op jongere leeftijd

heeft zij niets verteld. Hierom heeft verweerder er dan ook niet vanuit hoeven gaan dat het

binnen haar gemeenschap bij jongere meisjes gebeurt. Verder staat in het door eiseres

overgelegde antwoord van ACCORD dat de verspreiding van vrouwenbesnijdenis afneemt

en dat de prevalentie het laagst is in het Noordoosten van Nigeria, waar eiseres haar

woonplaats Uromi ligt.

5.3.

Hetgeen is overwogen onder 4.2. en 4.3. doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van

het relaas. Eiseres is ook niet ten onrechte tegengeworpen dat zij een onaannemelijke

verklaring heeft afgelegd over de leeftijd van haar twee ouderen zussen. Eiseres heeft in het

eerste gehoor verklaard dat haar moeder is geboren in 1970 (pagina 7). In de correcties en

aanvullingen op het nader gehoor staat dat haar moeder tijdens de bevalling van eiseres in

1994 is overleden (pagina 1). Eiseres verklaarde in het nader gehoor dat haar tante haar op

jonge leeftijd naar haar vader bracht (pagina 5). Haar twee oudere zussen gingen niet mee,

omdat zij al waren overleden op achttien en negentienjarige leeftijd (pagina 5, 9). Dit zou

betekenen dat eiseres haar moeder rond haar tiende leeftijd al twee kinderen had gebaard. In

het nader gehoor verklaarde eiseres dat zij haar tante niet kende maar dat ze klein was toen

zij bij haar woonde (pagina 5). Eiseres haar stelling dat zij ook bij de leeftijd van negentien

of twintig aangeeft dat ze jong was wordt dan ook niet gevolgd. Verweerder heeft niet ten

onrechte gesteld dat deze onwaarschijnlijkheid afbreuk doet aan de geloofwaardigheid.

5.4.

Nu eiseres gelet op het bovenstaande niet aannemelijk heeft gemaakt dat

vrouwenbesnijdenis binnen haar gemeenschap voorkomt, heeft verweerder zich niet ten

onrechte op het standpunt gesteld dat ook ten aanzien van haar minderjarige dochter, bij terugkeer naar Nigeria geen gegronde vrees bestaat voor vrouwenbesnijdenis. Het door

eiseres overgelegde rapport van het VN Kindercomité van 5 maart 2021, op grond waarvan

eiseres onder meer stelt dat verweerder het belang van haar minderjarige dochter

onvoldoende heeft meegewogen, slaagt niet nu niet is gebleken dat zich voor haar een risico

op besnijdenis voordoet.

5.5.

Overigens is het zo dat uit het rapport ‘Nigeria: Law and FGM’ van 28 Too Many

van juni 2018 blijkt dat er wetgeving bestaat die vrouwenbesnijdenis verbiedt en dat Edo

State (waarin Uromi ligt) een van de eerste deelstaten was in Nigeria met dergelijke

wetgeving. Hoewel uit de rapporten van USDOS en UK Home Office naar voren komt dat

vrouwenbesnijdenis plaatsvindt ondanks dat er een wet is die dit verbiedt en de staat geen

actie onderneemt om dit in de praktijk te voorkomen, volgt hieruit niet dat de politie hier

niets tegen kan doen als om bescherming wordt gevraagd. Op pagina 28 en 29 van het

rapport van UK Home Office welke straffen kunnen worden opgelegd als de wet die

vrouwenbesnijdenis verbiedt, wordt geschonden. Daarnaast blijkt uit het artikel van

Impakter dat de beperkte effectiviteit van de wet tegen vrouwenbesnijdenis voornamelijk te

maken heeft met de onbekendheid van deze wet onder de Nigerianen. Overigens merkte

verweerder ter zitting terecht op dat de overgelegde informatie ziet op handhaving van

wetgeving die op federaal niveau is gemaakt en niet op de handhaving van wetgeving van

Edo State.

5.6.

Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

6.1.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de

belangen van de andere kinderen voldoende heeft meegewogen. Eiseres heeft immers

verklaard dat zij uit Nigeria is vertrokken vanwege de aanstaande besnijdenis en niet

vanwege andere problemen (pagina 4-5, nader gehoor). Verweerder heeft hierdoor mogen

aannemen dat de belangen van de andere kinderen, net zoals van eiseres en haar dochter

enkel omdat zij Nigeriaans zijn, uit Uromi komen en tot de Ishan behoren, niet zullen

worden geschaad bij terugkeer naar Nigeria.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.R. de Man, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.