Werknemer stelt dat hij op basis van de CAO Ziekenhuizen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft. Werkgever stelt dat werknemer telkens een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd heeft gekregen en dat uit de CAO Ziekenhuizen niet blijkt dat zij verplicht was een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden.
Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats Gouda
PF
Zaaknr.: 9052351/ EJ VERZ 21-81366
Uitspraakdatum: 20 april 2021
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. D. van den Bergh-Beck,
tegen
Stichting Groene Hart Ziekenhuis ,
gevestigd te Gouda ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. M.K.A.C. van der Werf.
Partijen worden aangeduid als “ [verzoeker] ” en “ GHZ ”.
1. Procesverloop
[verzoeker] heeft een verzoekschrift ex artikel 7:681 BW tevens houdende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding ex artikel 223 Rv ingediend, bij de griffie ingekomen op 25 februari 2021. GHZ heeft een verweerschrift ingediend. Op 22 maart 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] een akte houdende wijziging van eis toegezonden. De gemachtigde van [verzoeker] heeft een pleitnotitie overgelegd.
2. Feiten De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.2.1 [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1977, is met ingang van 8 januari 2018 bij GHZ in dienst getreden in de functie van medewerker transport tegen een salaris van € 2.392,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en emolumenten.2.2 Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing verklaard de CAO Ziekenhuizen, hierna te noemen de cao.De cao bepaalt onder meer:“3.1.1 De arbeidsovereenkomst1. De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan en gewijzigd en wordt in tweevoud opgemaakt.2. De werkgever draagt er zorg voor dat de werknemer een door beide partijen ondertekend exemplaar ontvangt van de arbeidsovereenkomst of de wijziging daarvan.(…)3.1.2 Duur van de arbeidsovereenkomst1. De arbeidsovereenkomst wordt als regel aangegaan voor onbepaalde tijd. Dit is niet van toepassing op de arbeidsovereenkomst van de werknemer die bij indiensttreding de ouderdomspensioengerechtigde leeftijd reeds bereikt heeft.2. Bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dient de reden of de tijdsduur te worden vermeld. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt, bij normaal/goed functioneren van de werknemer, in principe opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd indien de formatieplaats wordt gerekend tot de vaste formatie van de instelling.3. Op een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is artikel 7:668a BW van toepassing.(…)”.2.3 [verzoeker] heeft tijdens zijn dienstverband steeds loonstroken ontvangen waarop het begin en het einde van de arbeidsovereenkomst stond vermeld.2.4 Aan [verzoeker] is mondeling meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor bepaalde tijd zou worden verlengd.2.5 In december 2020 hebben [verzoeker] en GHZ gesprekken met elkaar gevoerd over een eventuele verdere voortzetting van de arbeidsovereenkomst.2.6 Bij brief van 22 december 2020 heeft GHZ aan [verzoeker] bericht dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 8 januari 2021.2.7 Bij brief van 4 januari 2021 heeft [verzoeker] betwist dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen per 8 januari 2021. Naar zijn mening was hij op grond van de bepalingen in de cao vanaf 8 januari 2019 in vaste dienst bij GHZ .
3Geschil3.1 [verzoeker] verzoekt, na wijziging van zijn verzoek en zakelijk weergegeven:- bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding:a. GHZ te veroordelen tot betaling van zijn salaris van € 2.392,00 c.a. vanaf 8 januari 2021;b. GHZ te veroordelen [verzoeker] in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten;- en voorts:primair:- de opzegging van het dienstverband te vernietigen;- GHZ te verplichten [verzoeker] toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden;- GHZ te veroordelen tot betaling van zijn salaris van € 2.392,00 bruto vanaf 8 januari 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging;subsidiair:- GHZ te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 22.994,75;meer subsidiair:- GHZ te veroordelen tot een billijke vergoeding van € 22.994,75 bruto;- aan [verzoeker] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen van € 4.647,09 bruto;meest subsidiair:- GHZ te veroordelen tot betaling van de aanzegvergoeding van € 848,77 bruto;primair, subsidiair en meer en meest subsidiair:- GHZ te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen, alsmede in de proceskosten.3.2 [verzoeker] legt het volgende, samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag. [verzoeker] is van mening dat er sprake is van een dienstverband met GHZ voor onbepaalde tijd. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is eenzijdig door GHZ verlengd zonder tekst en uitleg aan [verzoeker] . Er is indertijd wel mondeling aan [verzoeker] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst verlengd zou gaan worden, maar niet waarom. [verzoeker] heeft deze arbeidsovereenkomst niet gezien en ook niet getekend. De cao heeft als uitgangspunt een contract voor onbepaalde tijd. Bovendien wordt bij normaal/goed functioneren de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Er is geen sprake van disfunctioneren van [verzoeker] . Het had op de weg van GHZ gelegen om bij de eerste arbeidsovereenkomst duidelijk aan te geven waarom van de hoofdregel werd afgeweken. GHZ heeft echter geen onderbouwing en motivatie gegeven. In ieder geval bij de verlenging had deze motivatie moeten worden gegeven. Nu enige onderbouwing ontbreekt, kan niet meer worden beoordeeld of GHZ een gerechtvaardigde reden had om af te wijken. Dit komt voor haar rekening en risico. De cao stelt aan de ketenregeling beperkingen. [verzoeker] heeft er op mogen vertrouwen dat hij normaal functioneerde en dat er daarom sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Indien geen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft GHZ wanprestatie gepleegd dan wel in strijd gehandeld met de eisen van goed werkgeverschap. Zij heeft in strijd gehandeld met de bepalingen van de cao en nagelaten om [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. Nu de opzegging dient te worden vernietigd heeft [verzoeker] aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en toelating tot zijn werkzaamheden. Dat verzoekt [verzoeker] zowel bij voorlopige voorziening als primair in de hoofdzaak. Subsidiair wordt in de hoofdzaak aanspraak gemaakt op een schadevergoeding althans meer subsidiair op een billijke vergoeding. Deze wordt door hem begroot op het verschil tussen zijn ww-uitkering en het salaris dat hij bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst had verdiend, zijnde berekend over de gehele ww-periode € 22.994,75 bruto. Daarnaast maakt [verzoeker] aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding vanwege de onregelmatige opzegging ter hoogte van
€ 4.4647,09 bruto. Indien de opzegging wel stand houdt, maakt [verzoeker] aanspraak op de aanzegvergoeding. Nu GHZ 11 dagen te laat heeft aangezegd bedraagt deze vergoeding € 848,77 bruto.3.3 GHZ heeft gemotiveerd verweer gevoerd.3.4 Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
4Beoordeling4.1 Tussen partijen staat (terecht) niet ter discussie dat de cao dient te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven. De bepalingen dienen te worden beoordeeld aan de hand van de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao en een eventueel daarin opgenomen toelichting. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.4.2 Nu een toelichting op de onderhavige van belang zijnde bepalingen als hiervoor weergegeven onder 2.2 ontbreekt, komt het aan op een uitleg van de bewoordingen van de cao.4.3 [verzoeker] heeft in dit verband aangevoerd dat hij geen kennis heeft genomen van een verlenging van zijn arbeidsovereenkomsten. De arbeidsovereenkomsten zijn niet schriftelijk aangegaan en in tweevoud opgemaakt. Dit komt, gelet op de cao, voor risico van GHZ . Er is slechts sprake van één arbeidsovereenkomst. Deze is uitsluitend door GHZ verlengd. [verzoeker] heeft dat niet aanvaard. [verzoeker] heeft er gelet op artikel 3.2.1. juncto 3.1.1 van de cao op mogen vertrouwen dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Het feit dat hij bij een medewerkster van GHZ navraag heeft gedaan en vervolgens niet direct om een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd heeft verzocht, maakt dit niet anders. Pas bij het inschakelen van juridisch advies- nadat de arbeidsovereenkomst is opgezegd door GHZ - is hij hier achter gekomen. Het had op de weg van GHZ gelegen om als goed werkgever duidelijk met hem te communiceren.4.4 GHZ heeft aangevoerd dat nergens in de cao staat dat er geen opvolgend contract voor bepaalde tijd kan worden aangegaan of dat daar een schriftelijke onderbouwing of andere voorwaarde voor nodig is. Sterker nog op diverse plekken in de cao wordt gerefereerd aan de ketenregeling die ook in artikel 3.1.2. lid 3 van de cao expliciet wordt genoemd. In de tekst van artikel 3.2.1 staan de woorden ‘als regel’ en ‘in principe’. Dit schept geen (harde) verplichtingen. Voorts is bepaald dat bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de reden ofde tijdsduur dient te worden vermeld. Dit schept geen verplichting om zowel de reden als de tijdsduur te vermelden. Een werkgever kan voor het een of het ander kiezen, bijvoorbeeld een contract voor de duur van een jaar of bijvoorbeeld een contract voor de duur van een project. Het is duidelijk dat [verzoeker] wist dat er sprake was van een tijdelijk contract en uit niets blijkt dat hij erop had mogen vertrouwen dat hij voor onbepaalde tijd in dienst was bij GHZ . De brieven waarin de tijdsduur van verlengde overeenkomsten staat vermeld zijn digitaal door [verzoeker] ondertekend. Ook blijkt de bepaalde duur voldoende duidelijk uit de salarisspecificaties. Uit het feit dat hij in 2019 heeft nagevraagd bij een senior HRM-adviseur van GHZ volgt niet dat hij van mening was dat hij per 8 januari 2019 een contract voor onbepaalde tijd had moeten ontvangen. Zijn vraag zag op de ketenregeling. Pas na het aanzeggingsgesprek heeft [verzoeker] zich op het standpunt gesteld dat volgens hem sprake was van een contract voor onbepaalde tijd.4.5 De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter volgt GHZ bij haar uitleg van de onderhavige bepalingen van de cao. De cao sluit niet de mogelijkheid uit om met een werknemer een contract voor bepaalde tijd aan te gaan en ook niet om deze voor bepaalde tijd voort te zetten. Dat volgt alleen al uit de woorden ‘als regel’ en ‘in principe’. Evenmin volgt uit deze woorden of anderszins uit de tekst van de cao dat de werkgever onder alle omstandigheden verplicht is te motiveren waarom de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt voortgezet. De woorden ‘in principe’ zijn daarvoor onvoldoende. De kantonrechter verwerpt het andersluidende standpunt van [verzoeker] .De bepaling schept in feite aan een werknemer de mogelijkheid met de werkgever de discussie aan te gaan tot het (eerder) sluiten van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te sluiten, nu dit ‘in principe’ het geval is bij normaal/goed functioneren.4.6 In artikel 3.1.1 is opgenomen dat arbeidsovereenkomsten en wijzigingen schriftelijk worden aangegaan. Dat geldt zowel voor overeenkomsten voor bepaalde tijd als voor overeenkomsten voor onbepaalde tijd. Er wordt immers geen onderscheid gemaakt.De bepaling bevat geen sanctie voor het geval de overeenkomsten of wijzigingen niet schriftelijk worden aangegaan. Nu alle overeenkomsten schriftelijk dienen te worden gesloten, kan niet alleen op grond daarvan worden geconcludeerd dat indien dat niet gebeurd, sprake zal zijn van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.Echter als artikel 3.1.1 in samenhang wordt gelezen met artikel 3.2.1 is een aannemelijk rechtsgevolg dat, in het geval de overeenkomst niet schriftelijk is aangegaan én de looptijd van de eerste overeenkomst althans de looptijd van de voortzetting na een overeenkomst voor bepaalde tijd onduidelijk is, de overeenkomst wordt vermoed te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Dit volgt dan uit de woorden ‘als regel’ en ‘in principe’.4.7 De vraag is vervolgens of de looptijd van de arbeidsovereenkomsten tussen partijen onduidelijk was.Partijen zijn het eens dat de arbeidsovereenkomst aanvankelijk schriftelijk is aangegaan voor de duur van 1 jaar.Partijen verschillen van mening over de vraag of de voortgezette overeenkomsten schriftelijk zijn aangegaan. [verzoeker] betwist dat hij de verlengingsbrieven heeft ontvangen en akkoord heeft bevonden, terwijl GHZ stelt dat volgens de gebruikelijke handelwijze zij de brieven met een verlenging van de arbeidsovereenkomst met de duur van 1 jaar per mail aan [verzoeker] heeft verzonden, hij hierop akkoord heeft gegeven waardoor de brief digitaal door hem is ondertekend. De brieven zijn volgens GHZ ook opgeslagen in het personeelsdossier van [verzoeker] , hetgeen [verzoeker] heeft betwist.4.8 Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het onderhavige geval in het midden blijven of [verzoeker] zijn akkoord heeft gegeven op de verlengingsbrieven. Daartoe is het volgende redengevend. heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat voor hem duidelijk was dat de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst twee maal is verlengd voor bepaalde tijd. Dit is allereerst in een gesprek aan hem meegedeeld, zo heeft hij ook tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. Voorts heeft hij gesteld dat hij met een HRM-medewerkster besproken heeft of het volgens de ketenregeling wel juist was dat de overeenkomst voor bepaalde tijd werd verlengd. Dit impliceert ook dat hij op de hoogte was van een verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Deze verlenging voor bepaalde tijd kon ook worden opgemaakt uit de loonstroken die [verzoeker] ontving, zo heeft [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd.En tenslotte heeft [verzoeker] zelf gesteld dat hij eerst na juridisch advies na de aanzegging van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot de conclusie was gekomen dat hij op grond van de cao naar zijn mening aanspraak kon maken op een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Anders gezegd: hij ging ervan uit dat de overeenkomst voor bepaalde tijd liep en eerst achteraf is hij op grond van de cao een ander standpunt gaan innemen, omdat hij vond dat hij steeds normaal/goed had gefunctioneerd en GHZ naar zijn mening daarom verplicht was geweest om hem een overeenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden.Uit deze omstandigheden in samenhang bezien volgt dat het voor [verzoeker] duidelijk was dat GHZ enkel de overeenkomst voor bepaalde tijd wilde verlengen en dus niet voor onbepaalde tijd. Hij heeft zijn werkzaamheden vervolgens zonder tegenspraak voortgezet, waarmee hij stilzwijgend met de verlenging voor bepaalde tijd akkoord ging, dus nog daargelaten de vraag of hij uitdrukkelijk akkoord is gegaan zoals GHZ heeft gesteld. Voor beide partijen was voldoende duidelijk dat de overeenkomst voor bepaalde tijd liep. Deze overeenkomsten zijn ook rechtsgeldig en de cao brengt niet mee dat GHZ daar geen beroep op kan doen.4.9 Het voorgaande betekent dat in deze procedure ervan uit dient te worden gegaan dat partijen drie overeenkomsten voor bepaalde tijd zijn aangegaan en dat de laatste van rechtswege is geëindigd op 8 januari 2021.Daarom zal zowel het verzoek bij wege van voorlopige voorziening als primair tot wedertewerkstelling en doorbetaling van loon worden afgewezen. Een vernietiging van een opzegging, wat daarvan ook zij, is dan evenmin aan de orde.4.10 Ook het verzoek tot schadevergoeding op grond van wanprestatie althans goed werkgeverschap is niet toewijsbaar. Daarvoor is het volgende van belang.Anders dan [verzoeker] heeft betoogd was GHZ niet verplicht om op grond van de cao [verzoeker] een overeenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden bij normaal/goed functioneren. Dat is enkel een uitgangspunt van de cao, zoals volgt uit de woorden ‘in principe’. De kantonrechter heeft hiervoor al geoordeeld dat GHZ op grond van de cao ook niet expliciet behoefde te motiveren waarom zij met [verzoeker] geen overeenkomst voor onbepaalde tijd aanging. Zoals [verzoeker] ook zelf heeft aangevoerd is op zich voldoende dat GHZ het nog even aan wilde zien.Gesteld noch gebleken is dat GHZ door gedragingen of toezeggingen bij [verzoeker] dusdanige verwachtingen heeft gewekt dat hij ervan uit mocht gaan dat aan hem (op enig moment) een overeenkomst voor onbepaalde tijd zou worden aangeboden. Het enige punt dat GHZ mogelijk niet is nagekomen is dat niet alle overeenkomsten schriftelijk zijn aangegaan. Zoals hiervoor is overwogen heeft de kantonrechter dit in het midden gelaten. Maar nu het voor [verzoeker] duidelijk was dat hij steeds voor bepaalde tijd bij GHZ in dienst was, kan [verzoeker] ten gevolge hiervan geen schade hebben geleden. Van een verplichting tot schadevergoeding vanwege handelen in strijd met goed werkgeverschap of wanprestatie is gezien het voorgaande geen sprake.4.11 Naar het oordeel kan [verzoeker] ook geen aanspraak maken op een billijke vergoeding. Daarvoor is in het onderhavige geval noodzakelijk dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van GHZ . Die conclusie kan aan de hand van het voorafgaande niet worden getrokken.4.12 Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] wel recht op de aanzegvergoeding, nu GHZ niet heeft weersproken dat zij 11 dagen te laat het einde van de arbeidsovereenkomst heeft aangezegd. Het verzochte, en niet weersproken, bedrag van € 848,77 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van verzuim zal daarom worden toegewezen.4.13 [verzoeker] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
5. Beslissing De kantonrechter:
- wijst de verzochte voorlopige voorziening af;
- veroordeelt GHZ aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 848,77, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van algehele voldoening;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van GHZ begroot op € 747,00 als het aan de gemachtigde van GHZ toekomende salaris;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. P.M. Frinking en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2021.