Visum kort verblijf, vestigingsgevaar, sociale en economische binding Nepal, stabiele en regelmatige inkomsten, bedragen op financiële stukken niet gespecifieerd en herleidbaar, ongegrond.
Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/2981
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
gemachtigde: mr. Š. Petkoviç,
en
de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
gemachtigde: mr. F. Saglik.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2019 (afwijzing) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 16 maart 2020 (beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 10 april 2020 hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 6 november 2020 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Dias, als waarnemer voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam persoon] (referente).
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nepalese nationaliteit. Op 1 oktober 2019 heeft hij een visum voor kort verblijf aangevraagd met als doel het bezoeken van referente in Nederland.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij het doel en de verblijfsomstandigheden van de reis en de economische en sociale binding met Nepal onvoldoende heeft aangetoond.
3. Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder ten onrechte sociale/economische binding met Nepal onvoldoende aangetoond acht. Deze beroepsgrond faalt.
Uit het overgelegde bedrijfsregistratiebewijs (‘Business Registration Certificate’) en belastingregistratiebewijs (‘Permanent Account Number Registration Certificate’) volgt enkel dat eiser een bedrijf heeft, maar niet dat dit bedrijf ook daadwerkelijk economisch actief is. Dat hij daaruit een duurzaam en voldoende inkomen heeft blijkt ook niet. De overgelegde bonnetjes en boekhouding hebben als bewijs van de omzet niet de waarde zoals eiser die beoogt. Deze documenten zijn handgeschreven, en bevatten geen logo van het bedrijf en bedrijfsgegevens. De stelling dat het bijhouden van de inkomsten op basis van deze bonnetjes de gebruikelijke werkwijze is binnen Nepalese bedrijven is niet onderbouwd. Als overigens de bonnen en de boekhouding wel een juist beeld geven van de activiteiten van eisers bedrijf, dan blijft nog de vraag staan of dat bedrijf voldoende kansen biedt op een substantieel en duurzaam inkomen en dus op een behoorlijk bestaan in Nepal. De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de pas in beroep overgelegde bankafschriften. Verweerder heeft ter zitting verklaard daar geen bezwaar tegen te hebben. Deze stukken verschaffen echter ook geen inzicht in de inkomsten van het bedrijf en die van eiser. De stortingen op de bankafschriften zijn niet gespecifieerd en herleidbaar naar een bepaald doel of een bedrijfsactiviteit.
Eisers ouders wonen in Nepal. Dat duidt enigszins op een sociale binding, maar die is niet zo sterk, dat ondanks een onvoldoende duidelijke economische binding terugkeer naar Nepal gewaarborgd is. Uit de relatie met zijn ouders blijkt in elk geval niet van een dusdanige afhankelijkheid, dat eiser daarvoor zou moeten terugkeren naar Nepal. Er zijn verder een paar foto’s overgelegd van de bouw van een huis. Dit huis zou, zoals eiser verklaart, bestemd zijn voor toekomstige eigen bewoning, en daarnaast als lodge/guesthouse verblijf moeten gaan bieden aan toeristen. Dat het huis met die intentie wordt gebouwd blijkt echter niet onmiskenbaar uit bouwtekeningen. Eiser wijst verder op correspondentie tussen referente en een leerplichtambtenaar over vrijstelling voor haar zoon van de leerplicht in Nederland. Dat de zoon daadwerkelijk gaat emigreren naar Nepal, dat wil zeggen naar het land afreist met het vooruitzicht daar definitief te blijven, blijft ook in die correspondentie onzeker. Ook na de beoogde aankomst in Nepal blijft de zoon ingeschreven staan bij zijn huidige school in Almere. De rechtbank heeft alle stukken die eiser nog in beroep heeft overgelegd bij haar oordeel betrokken. Verweerder heeft ter zitting verklaard daartegen geen bezwaar te hebben.
In beroep is gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 26 februari 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:1438) en in dat verband is door referente aangevoerd dat wat haar betreft toch in elk geval wel mag worden uitgegaan van een oprecht voornemen naar Nepal te vertrekken. De rechtbank heeft geen reden wat referente betreft een verborgen bedoeling te vermoeden, maar toch blijft het van belang dat de beoordeling zoveel mogelijk beperkt wordt tot objectieve gegevens. Het gaat in deze zaak niet alleen om de oprechtheid van referente, maar ook om de oprechte bedoeling van eiser om na verloop van het visum Nederland weer te verlaten. Die zal vooral moeten blijken uit wat over zijn feitelijke woon- en leefsituatie in Nepal kan worden vastgesteld.
4. Het beroep is dus ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 januari 2021.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.