Bewaring, art. 59a Vw, geplande inbewaringstelling, voortvarend handelen, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.1168
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).
Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Chbab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [2000].
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit.
aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, omdat eiser ten tijde van de zitting nog geen PCR-test heeft gehad. Dit is onvoldoende voortvarend, omdat verweerder hiervoor een week de tijd heeft gehad en de overdracht al gepland staat op 2 februari 2021, de dag na de zitting. Eiser is gepland in bewaring gesteld en verweerder had dan ook sneller dan gebruikelijk handelingen moeten verrichten. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 6 juni 20193.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Bij aanvang van de inbewaringstelling was de landoverdracht naar Duitsland al gepland op 2 februari 2021, een week na de inbewaringstelling. Dat bij eiser nog geen PCR-test is afgenomen ten tijde van de zitting, betekent niet dat deze niet nog voor de overdracht afgenomen zal (kunnen) worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser voert verder aan dat verweerder de informatieplicht heeft geschonden door het verslag van het vertrekgesprek van 27 januari 2021 niet aan het dossier toe te voegen. Daaraan moet volgens eiser de conclusie worden verbonden dat de inbewaringstelling onrechtmatig is.
7. De rechtbank stelt vast dat het verslag van het vertrekgesprek van 27 januari 2021 niet aan het dossier is toegevoegd. Alhoewel verweerder dit verslag wel aan het dossier had moeten toevoegen, is echter niet toegelicht dat en zo ja, op welke wijze eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het voorgaande de inbewaringstelling niet onrechtmatig maakt. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit.
3 ECLI:NL:RVS:2019:1855.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 februari 2021
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.