ECLI:NL:RBGEL:2021:574
public
2021-02-09T18:00:12
2021-02-08
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2021-02-02
C/05/380054 / KG RK 20-860
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2021:574
public
2021-02-08T14:52:01
2021-02-09
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBGEL:2021:574 Rechtbank Gelderland , 02-02-2021 / C/05/380054 / KG RK 20-860

Het wrakingsverzoek van verzoeker tot wraking van de civiele rechter afgewezen, omdat niet gebleken is dat de civiele rechter wegens het nemen van processuele beslissingen vooringenomen zou zijn. Het is aan de civiele rechter om de regie te voeren en daarbij de vragen te stellen die de civiele rechter relevant acht voor haar oordeel over de zaak. Indien de (civiele) rechter bepaalde vragen niet stelt, dan blijkt hier in zijn algemeenheid geen vooringenomenheid uit. Datzelfde geldt ten aanzien van de beslissing om geen repliek toe te staan.

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/380054 / KG RK 20-860

Beslissing van 2 februari 2021

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende te Ochten, gemeente Neder-Betuwe

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. M.S.T. Belt

rechter in deze rechtbank

hierna te noemen: de rechter.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het schriftelijke wrakingsverzoek met bijlagen van 25 november 2020;

  • de schriftelijke reactie van de rechter van 9 december 2020;

  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 5 november 2020.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

  • verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.C.H. Schrömpges, advocaat te Lent;

  • de rechter;

  • toehoorders [belanghebbenden] , bijgestaan door mr. A. Tariki, advocaat te Arnhem, en [belanghebbenden] , bijgestaan door mr. A.P.L.C. Trouwborst, advocaat te Nijmegen.

2Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/05/369053 HA ZA 20-239 tussen verzoeker en [belanghebbenden] omtrent een vordering van verzoeker tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van enerzijds de bestuurders van gefailleerde zorgstichting Woongroep [belanghebbenden] en anderzijds de toezichthouder.

2.2

Verzoeker heeft in het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, samengevat weergegeven het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Tijdens de mondelinge behandeling van de bodemzaak op 5 november 2020 heeft de rechter voorlopig niet toegestaan aan verzoeker om een conclusie van repliek te nemen. Daardoor is verzoeker niet voldoende in de gelegenheid om te reageren op het door gedaagden gestelde in reconventie en de door hen ingebrachte producties en daarom is het recht van hoor en wederhoor geschonden. Volgens verzoeker heeft de rechter daarnaast meer spreektijd gegund aan de gedaagden in de bodemzaak dan aan verzoeker. Ten slotte heeft verzoeker gesteld dat de rechter onvoldoende kritische vragen heeft gesteld aan gedaagden. Vanwege deze redenen heeft verzoeker de rechter gewraakt op basis van vooringenomenheid en partijdigheid van de rechter.

2.3

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

Daargelaten de vraag of het verzoek tot wraking tijdig is ingediend, is de wrakingskamer van oordeel dat niet is gebleken dat de rechter vooringenomen is of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarvoor is het volgende redengevend.

De gronden die verzoeker aanvoert, hebben betrekking op de inhoudelijke behandeling tijdens de zitting van 5 november 2020. De wrakingskamer stelt voorop dat het aan de rechter is om de zitting te leiden, waarbij zij de regie voert en waarbij zij vrij is te bepalen welke vragen zij zelf relevant acht voor haar oordeel over de zaak. Het voeren van de regie over de zitting is een aan de rechter toebedeelde taak. Dat de rechter vooringenomen zou zijn, kan in zijn algemeenheid dan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de rechter bepaalde vragen niet heeft gesteld. Ook in dit concrete geval kan uit het niet stellen van vragen, niet worden afgeleid dat de rechter vooringenomen was of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Dat verzoeker daar anders over denkt, maakt dit oordeel niet anders.

Ten aanzien van de voorlopige beslissing om geen repliek toe te staan, overweegt de wrakingskamer dat dit een processuele beslissing is. Een dergelijke beslissing levert in beginsel, zelfs als deze onjuist zou zijn, geen feit of omstandigheid op waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dit zo is gerechtvaardigd is. Dit is alleen anders, indien een dergelijke beslissing zo onbegrijpelijk of ontoereikend is gemotiveerd dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te vinden dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Naar het oordeel van de wrakingskamer doet laatstgenoemde situatie zich in dit geval niet voor.

Verzoeker heeft niet betwist dat, indien hij tijdens de mondelinge behandeling meer spreektijd nodig had dan de vijf minuten die waren aangekondigd in het tussenvonnis, hij om meer spreektijd had kunnen vragen. Voor zover verzoeker ter zitting heeft gesteld dat gedaagden, anders dan hij, veel meer spreektijd hebben gekregen dan vijf minuten, kan daarvoor geen steun worden gevonden in het proces-verbaal van de zitting.

Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de bodemzaak volgt bovendien dat verzoeker en zijn raadsman gelegenheid hebben gehad om hun standpunt naar voren te brengen op alle punten in conventie en in reconventie, en dus ook hun standpunt over de betrouwbaarheid van de door of namens gedaagden overlegde producties.

Gelet op de regiefunctie van de rechter, is het aan de rechter om (voorlopig) te bepalen wanneer een voortzetting van het juridisch debat niet langer noodzakelijk is. Er is geen objectieve grond om te veronderstellen dat de rechter om een andere reden dan het nemen van een regiebeslissing het nemen van een conclusie van repliek voorlopig heeft geweigerd. Het overig aangevoerde leidt niet tot een andere conclusie.

4De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. A.S.W. Kroon (rechters) in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bril en in openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.

de griffier de voorzitter

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. A.S.W. Kroon (rechters) in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bril en in openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.

de griffier de voorzitter

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. A.S.W. Kroon (rechters) in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bril en in openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.

de griffier de voorzitter

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. A.S.W. Kroon (rechters) in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bril en in openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.

de griffier de voorzitter

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. A.S.W. Kroon (rechters) in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bril en in openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.

de griffier de voorzitter

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. A.S.W. Kroon (rechters) in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bril en in openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.

de griffier de voorzitter

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. A.S.W. Kroon (rechters) in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bril en in openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.

de griffier de voorzitter

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. A.S.W. Kroon (rechters) in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bril en in openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.

de griffier de voorzitter

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. A.S.W. Kroon (rechters) in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bril en in openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.

de griffier de voorzitter

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. A.S.W. Kroon (rechters) in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bril en in openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.