ECLI:NL:RBMNE:2021:1634
public
2021-05-10T13:11:09
2021-04-22
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-04-16
UTR 19/5066
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1634
public
2021-05-10T11:53:50
2021-05-10
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBMNE:2021:1634 Rechtbank Midden-Nederland , 16-04-2021 / UTR 19/5066

Einduitspraak. Ontheffing voor aan verjaging ondersteunend afschot van grauwe ganzen. Gebreken niet hersteld. Kale vernietiging en voorziening getroffen.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5066

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2021 in de zaak tussen

Stichting Dierbaar Flevoland, te Lelystad, eiseres

(gemachtigde: M. Bouscholte),

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college), verweerder

(gemachtigde: mr. ing. T. Brouwer).

Als derde-partij neemt aan de procedure deel: Stichting Faunabeheereenheid Flevoland (hierna: de Faunabeheereenheid), te Zeewolde

(gemachtigde: L.M. Schrauwen).

Procesverloop

Deze zaak gaat over de ontheffing die het college aan de Faunabeheereenheid heeft verleend voor aan verjaging ondersteunend afschot van grauwe ganzen vanaf een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang op gronden gelegen in de provincie Flevoland.

Op 31 december 2020 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak (hierna: de tussenuitspraak) gedaan.1 Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die uitspraak.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 16 oktober 2019 te herstellen.

Het college heeft op 13 januari 2021 laten weten de gebreken te willen herstellen. Het college heeft vervolgens niet meer gereageerd en heeft ook niet om een verlenging van de hersteltermijn gevraagd. Op 9 maart 2021 heeft de griffier telefonisch contact opgenomen en heeft het college laten weten dat het niet lukte om binnen de geboden termijn te reageren.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 maart 2021 gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in

de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

Tussenuitspraak

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de ontheffing in

voorschriften 4.f en 5.d meer mogelijkheden voor afschot lijkt te bieden dan noodzakelijk is voor ondersteuning van de verjaging.2 Ook heeft de rechtbank overwogen dat het college de ontheffing voor het gebruik van een geweer van één uur voor zonsopgang tot één uur na zonsondergang onvoldoende heeft gemotiveerd.3

3. Om de gebreken te herstellen, moest het college alsnog de voorschriften 4.f en 5.d in

overeenstemming brengen met het advies van de Commissie bezwaar en beroep Provincie Flevoland óf draagkrachtig motiveren waarom hij dat niet doet. Ook moest het college het voorschrift over het gebruik van het geweer vanaf één uur voor zonsopgang tot één uur na zonsondergang aanpassen óf draagkrachtig motiveren waarom voor die periode het kunnen gebruiken van het geweer in afwijking van de wettelijke regels noodzakelijk is.

Vernietiging bestreden besluit

4. Het college heeft niet inhoudelijk gereageerd op de tussenuitspraak. De gebreken zijn

dus niet hersteld. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 16 oktober 2019 wegens strijd met artikel 3.3, vierde lid, aanhef en onder b, onder 3, en artikel 3.3, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wet natuurbescherming (Wnb), in samenhang met artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder e, onderdeel 4, eerste gedachtestreepje, van het Besluit natuurbescherming (Bnb) en artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college moet opnieuw beslissen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Treffen van een voorziening

5. De rechtbank overweegt vervolgens dat zij in de tussenuitspraak de voorlopige

voorziening heeft getroffen dat aan de ontheffing het voorschrift wordt verbonden dat per dag maximaal 5 schutters daarvan gebruik mogen maken en dat de ontheffing niet geldt voor zonsopgang en na zonsondergang. Zij heeft bepaald dat deze voorlopige voorziening met de einduitspraak vervalt. Dat zou, na de vernietiging van het bestreden besluit, betekenen dat de ontheffing zoals verleend bij het primaire besluit van 18 maart 2019 na deze einduitspraak weer van kracht is. Ook de bij het primaire besluit verleende ontheffing staat echter ongemotiveerd meer toe dan waarin de Wnb voorziet. Om dit te voorkomen, zal de rechtbank opnieuw een voorlopige voorziening treffen, waarbij het maximale aantal schutters voorlopig wordt gewaarborgd en waarmee de ontheffing niet geldt voor zonsopkomst en na zonsondergang. De rechtbank zal bepalen dat deze voorziening geldt tot en met zes weken nadat het college een nieuwe beslissing heeft genomen op het bezwaar van eiseres.

Proceskosten en griffierecht

6. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed moeten worden door het college. Wel moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 16 oktober 2019;

- draagt het college op binnen zes na de dag van verzending van deze uitspraak een

nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de

tussenuitspraak;

- treft de voorlopige voorziening:

 dat aan de ontheffing het voorschrift wordt verbonden dat per dag maximaal 5 schutters daarvan gebruik mogen maken;

 dat de ontheffing niet geldt voor zonsopgang en na zonsondergang;

­ bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken nadat het college een nieuwe

beslissing heeft genomen op het bezwaar van eiseres;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en R. in ’t Veld en

mr. E.C. Matiasen, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is uitgesproken op 16 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

(de griffier is verhinderd

de uitspraak te tekenen)

griffier

voorzitter

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1

ECLI:NL:RBMNE:2020:5730.

2

Zie rechtsoverweging 4.

3

Zie rechtsoverweging 23.