Verschoningsverzoek gegrond. Rechter en gemachtigde van gedaagde partij zijn oud-collega’s en gaan nog vriendschappelijk met elkaar om.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
VERSCHONINGSKAMER
Zaaknummer/rekestnummer: 520945 / HA RK 21-94
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken van 30 april 2021
op het verzoek in de zin van artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
Mr. B.G.W.P. Heijne,
kantonrechter,
(verder te noemen: verzoeker)
1De procedure
De verschoningskamer heeft op 26 april 2021 het verzoek tot verschoning van verzoeker ontvangen. Dit verzoek is ingediend in de zaak met het zaak- en rolnummer 8969541 \ MC EXPL 21-259, met [A] en [B] als eisende partijen en de Gemeente Hilversum als gedaagde partij (hierna: de hoofdzaak). Er heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.
De uitspraak is bepaald voor vandaag.
2Het verschoningsverzoek
Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn verschoningsverzoek. Verzoeker acht zich niet vrij de hoofdzaak verder te behandelen. Gedaagde wordt bijgestaan door gemachtigde mr. L.A. Mulder. Verzoeker en mr. Mulder hebben als collega’s samengewerkt bij hun voormalige werkgever. Daarnaast gaan zij ook nu nog vriendschappelijk met elkaar om. Hierdoor zou een (gerechtvaardigde) vrees voor vooringenomenheid kunnen ontstaan.
3De beoordeling
Artikel 40 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv. Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is.
Van de schijn van partijdigheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in dat specifieke geval aan onpartijdigheid ontbreekt. In dat geval dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden. Rechtzoekenden moeten immers vertrouwen kunnen stellen in het rechterlijk apparaat. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
Uit het verzoek van verzoeker blijkt dat er sprake is van zodanige omstandigheden dat hij zich niet meer voldoende vrij voelt om in de hoofdzaak op te treden dan wel te beslissen. De verschoningskamer ziet hierin, in aanmerking genomen de motivering van het verzoek, een genoegzame grond voor verschoning. Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de schijn kan bestaan dat het hem aan onpartijdigheid zal ontbreken. Het verzoek zal daarom gegrond worden verklaard.
4De beslissing
De verschoningskamer:
verklaart het verzoek tot verschoning gegrond;
draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, betrokken partijen in de hoofdprocedure, alsmede aan de voorzitter van het team waarvan verzoeker deel uitmaakt en de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en mr. R.C. Stijnen als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2021.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.