Wrakingszaak. Wrakingsverzoek na op zitting getroffen en in proces-verbaal vastgelegde schikking, verzoekster niet ontvankelijk.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 516007 HA RK 21-10
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 22 januari 2021
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoekster).
1De procedure
Verzoekster heeft op 18 januari 2021 een verzoek ingediend tot wraking van mr. C.A. de Beaufort (verder: de rechter) in de zaak met zaaknummer 514223 KL ZA 20-351.
De wrakingskamer heeft gelet het onderstaande afgezien van een mondelinge behandeling.
2De ontvankelijkheid van het verzoek
Op grond van artikel 36 Rv kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Het middel van wraking is toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter die tegenover een partij een vooringenomenheid koestert, althans aan een partij die daarover vrees heeft die objectief gerechtvaardigd is, (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als partijen een schikking hebben getroffen waarmee zij hun geschil hebben beëindigd en daarbij de rechtbank hebben verzocht hun zaak door te halen op de rol. De wet voorziet daarom niet in de mogelijkheid om wraking van een rechter te verzoeken nadat er een schikking is getroffen.
In de hiervoor genoemde hoofdzaak hebben partijen op 14 januari 2021 een schikking getroffen, waarmee de hoofdzaak ten einde is gekomen en de behandeling van de zaak door de rechter is geëindigd. Het wrakingsverzoek is op 18 januari 2021 ingediend, dus nadat de schikking is getroffen. Dat betekent dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
Gelet op deze kennelijke niet-ontvankelijkheid kan, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 9.1 sub c van het wrakingsprotocol van deze rechtbank, een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege blijven.
3De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de betrokken teamvoorzitter en de president van deze rechtbank;
Deze beslissing is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, voorzitter, en mr. G.A. Bos en mr. R.C. Stijnen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.S.J. Goeman-Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2021.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.