ECLI:NL:RBMNE:2021:567
public
2021-02-16T14:11:13
2021-02-16
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-02-09
516832 / HA RK 21-26
Wraking
NL
Utrecht
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:567
public
2021-02-16T14:07:44
2021-02-16
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBMNE:2021:567 Rechtbank Midden-Nederland , 09-02-2021 / 516832 / HA RK 21-26

Wrakingszaak. Verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk. Misbruik van recht, want wrakingsverzoek ingediend om uitstel van behandeling te verkrijgen. Wrakingsverbod opgelegd.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 516832 / HA RK 21-26

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

9 februari 2021

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker).

1De procedure

1.1.

Verzoeker heeft op 4 februari 2021 een verzoek tot wraking ingediend in de zaak met zaaknummer 514658 HA RK 20-325. Het verzoek tot wraking is gericht tegen de leden van de wrakingskamer (hierna: eerste wrakingskamer).

1.2.

De eerste wrakingskamer zou op 5 februari 2021 het door verzoeker in december 2020 gedane verzoek tot wraking van mr. G.L.M. Urbanus in de procedure met zaaknummer C116/505797/FA RK 20-773 behandelen. Verzoeker heeft om aanhouding van de behandeling van het verzoek tot wraking van mr. Urbanus verzocht. De eerste wrakingskamer heeft dat verzoek afgewezen.

1.3.

De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.

2De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

2.1.

Uitgangspunt is dat een wrakingsverzoek op een zitting wordt behandeld. Wanneer een verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot wraking, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken in de gevallen die zijn genoemd in onderdeel 9.1 a t/m i van het wrakingsprotocol van deze rechtbank.1

2.2.

De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek wegens misbruik van recht. Zij overweegt daartoe als volgt.

2.3.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek tegen de leden van de wrakingskamer – samengevat – gesteld dat:

- hij van de wrakingskamer geen vertrouwenspersoon mag meenemen naar de zitting.

- de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 5 februari 2021

door laat gaan, terwijl verzoeker en de gewraakte rechter niet aanwezig (kunnen) zijn.

- de zitting worden gehouden in Lelystad in plaats van Utrecht.

- door de wrakingskamer geen rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat verzoeker

dat weekend voor het eerst in twee jaar zijn kind bij zich heeft.

- de wrakingskamer correspondeert met de advocaat van verzoeker, terwijl zijn advocaat hem

in de wrakingsprocedure niet bijstaat.

2.4.

Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking ingediend, zo vermeldt hij ook zelf in het verzoek, zodra hij vernomen had van de weigering van de eerste wrakingskamer om gehoor te geven aan zijn verzoek tot aanhouding van de behandeling van het verzoek tot wraking van mr. Urbanus. In het verzoek tot wraking van de eerste wrakingskamer somt verzoeker een aantal punten op die hij ten grondslag legt aan zijn wrakingsverzoek. Die behelzen, in ieder geval gedeeltelijk, redenen waarom de voorgenomen behandeling op 5 februari 2021 verzoeker niet past. Daarnaast heeft verzoeker in zijn verzoek op geen enkele wijze uitgelegd waarom sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid van de leden van de eerste wrakingskamer schade zou kunnen lijden. De wrakingskamer komt tot de slotsom dat verzoeker zijn verzoek tot wraking van de eerste wrakingskamer alleen maar ingediend heeft om te bewerkstelligen dat het verzoek tot wraking van mr. Urbanus niet op 5 februari 2012 behandeld zou worden en dat hij door zo te handelen misbruik gemaakt heeft van zijn recht om een verzoek tot wraking in te dienen.

2.5.

Op grond van het voorgaande komt de wrakingskamer tot het oordeel dat verzoeker kennelijk niet ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek tegen de eerste wrakingskamer.

2.6.

Om te voorkomen dat verzoeker de procedure verder frustreert zal de wrakingskamer bepalen dat een volgende verzoek tot wraking van verzoeker in de zaak met kenmerk 514658 HA RK 20-325 of in de zaak met kenmerk C116/505797/FA RK 20-773 niet in behandeling wordt genomen.

2.7.

De zaak zal worden verwezen naar de eerste wrakingskamer ter verdere afdoening van het eerste wrakingsverzoek.

3De beslissing

De wrakingskamer:

3.1.

verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het wrakingsverzoek;

3.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de leden van de (eerste) wrakingskamer tegen wie het verzoek tot wraking is gericht, andere betrokken partijen en de president van deze rechtbank;

3.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 514658 HA RK 20-325 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;

3.4.

bepaalt dat een volgende verzoek tot wraking van verzoeker in de zaak met kenmerk C116/505797/FA RK 20-773 of in de zaak met kenmerk 514658 HA RK 20-325 niet behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en mr. P.J.M. Mol als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2021.

de griffier is buiten staat deze beslissing te ondertekenen

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

1

Te vinden op: https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Midden-Nederland/Regels-en-procedures/Paginas/default.aspx