Incasso factuur, buitengerechtelijke kosten
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 8826390 CV EXPL 20-5511
Uitspraakdatum: 10 februari 2021
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Romeo Serviceproviding B.V.
gevestigd te Hoorn
eiseres
verder te noemen: Romeo
gemachtigde: Incassocenter B.V.
tegen
de vennootschap onder firma [gedaagden] ,
gevestigd en wonende te [woonplaats]
gedaagden
verder te noemen: [gedaagden]
verschenen in persoon.
1Het procesverloop
Romeo heeft bij dagvaarding van 2 oktober 2020 een vordering tegen [gedaagden] ingesteld. [gedaagden] heeft schriftelijk geantwoord.
Romeo heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagden] een schriftelijke reactie heeft gegeven.
2De feiten
Romeo heeft [gedaagden] op 22 augustus 2019 een factuur gezonden ad € 302,50 wegens verleende diensten (hierna: de factuur), die [gedaagden] onbetaald heeft gelaten, ondanks het sturen van herhaalde aanmaningen.
3De vordering
Romeo vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt tot betaling van € 434,08, vermeerderd met rente en kosten.
Romeo legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagden] op grond van de door partijen gesloten overeenkomst verplicht is de factuur van Romeo te betalen. Nu zij dat niet heeft gedaan, is [gedaagden] ook buitengerechtelijke kosten en rente verschuldigd.
4Het verweer
[gedaagden] betwist de vordering gedeeltelijk. Zij voert aan – samengevat – dat de vordering in hoofdsom terecht is, maar de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de daarover gevorderde btw onredelijk zijn.
5De beoordeling
Romeo heeft haar vordering bij conclusie van repliek verminderd met de gevorderde btw.
[gedaagden] heeft de vordering van Romeo wat betreft de hoofdsom erkend. Die zal daarom worden toegewezen.
Vaststaat verder dat [gedaagden] ondanks aanmaning door Romeo niet heeft betaald. [gedaagden] is, nu sprake is van een handelsovereenkomst, de redelijke kosten verschuldigd ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Romeo vordert ter zake € 45,38. [gedaagden] heeft dit bedrag niet betwist. Dit zal daarom worden toegewezen.
Romeo vordert voorts op grond van artikel 6:96 lid 1 betaling van interne invorderingskosten ad € 40,-. Dit bedrag is door [gedaagden] betwist. Romeo heeft haar vordering op dit punt niet onderbouwd. Het vaste bedrag van € 40,- op grond van de Richtlijn 2011/7/EU EG is reeds begrepen in het bedrag aan buitengerechtelijke kosten dat wordt toegewezen. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Nu sprake is van een handelsovereenkomst zal de gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom worden toegewezen, door Romeo tot aan de dagvaarding onbetwist berekend op € 28,27.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van zal toewijzen tot een bedrag van € 376,15.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagden] , omdat zij in overwegende mate ongelijk krijgt.
Daarbij wordt [gedaagden] ook veroordeeld tot betaling van € 37,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Romeo worden gemaakt.
6De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan Romeo van € 376,15, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 302,50 vanaf 2 oktober 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Romeo tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 90,60
griffierecht € 124,00
salaris gemachtigde € 150,00 ;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 37,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Romeo worden gemaakt.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter