Beklag tegen beslag n.a.v. EOB ex. artikel 5.4.10 jo art. 552a Sv.
Rechtbank onbevoegd
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, locatie Alkmaar
Enkelvoudige raadkamer
Registratienummer: 20/011106
Luris-nummer: EOB-I-2020038214
Uitspraakdatum: 1 februari 2021
Beschikking (art. 5.4.10 jo art. 552a Sv)
1Ontstaan en loop van de procedure
Op 21 december 2020 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een klaagschrift, gedateerd 20 december 2020, van [naam], gemachtigde van
[klager], klager,
geboren op [geboortedatum/plaats],
wonende te [adres 1]
domicilie kiezende te [adres 2], ten kantore van [naam], advocaat.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het daarop gelegde beslag, met last tot teruggave aan klager, van de tijdens een doorzoeking van de woning van klager in beslag genomen voorwerpen, waaronder:
- gegevensdragers en
- ( spaar)geld.
De rechtbank heeft bij het Openbaar Ministerie de op de zaak betrekking hebbende stukken opgevraagd. Eerst afgelopen vrijdagmiddag, 29 januari 2021, heeft de rechtbank een aantal stukken ontvangen.
Op maandag 1 februari 2021 is het klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld.
Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door [naam], voornoemd.
Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. H.F. Tillart.
Van het verhandelde ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.
2Bevoegdheid
Uit de door het Openbaar Ministerie overgelegde stukken blijkt – voor zover hier van belang – het volgende.
De justitiële autoriteiten van Bulgarije hebben een Europees Onderzoeksbevel uitgevaardigd.
In dat land loopt een strafrechtelijk onderzoek, waarin klager als verdachte is aangemerkt.
Klager wordt verdacht van “de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope
stoffen” (vergelijk de artikelen 2 en 10 van de (Nederlandse) Opiumwet).
De officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland is kennelijk belast met de uitvoering van dit Europees Onderzoeksbevel (EOB).
Op 10 december 2020 heeft deze officier van justitie aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, gevorderd om,
ter uitvoering van het EOB, de woning van klager ter inbeslagneming te doorzoeken.
Bij beschikking van 10 december 2020 (RC-nr. 20/5263) heeft deze rechter-commissaris deze vordering toegewezen en de doorzoeking overgedragen aan haar ambtgenoot in de rechtbank Noord-Holland.
Vervolgens heeft op 16 december 2020 (zijnde de datum die op na te noemen brief is vermeld) de doorzoeking plaatsgevonden. Na afloop van deze doorzoeking is een brief achtergelaten, afkomstig van het IRC Noord-Holland, inhoudende:
Geachte heer, mevrouw,
Er heeft bij u een doorzoeking plaatsgevonden. Dit is gedaan door de politie, op basis van een Europees Onderzoeksbevel dat door het Openbaar Ministerie is ontvangen van een buitenlandse rechter of officier van justitie.
Bij de doorzoeking zijn goederen in beslag genomen, zoals u kunt nalezen op de kennisgeving van inbeslagname of in het proces verbaal. Als de goederen met al eerder worden teruggegeven zal uiteindelijk een rechter (in de uitvaardigende lidstaat) beslissen wat ermee moet gebeuren.
U heeft het recht om binnen twee weken beklag in te dienen tegen dit beslag bij de rechtbank. De grond voor dat klaagschrift is artikel 552a van het wetboek van strafvordering. (…)
Deze kennisgeving is gestoeld op artikel 5.4.10, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ingevolge deze bepaling wordt – voor zover hier van belang – de betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.
Op grond van artikel 5.4.10, derde lid, Sv zijn de artikelen 552a, eerste tot en met zesde lid, 552d, eerste en tweede lid, en 552e, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift.
Ingevolge artikel 552a, lid 3, Sv – voor zover hier van belang – wordt het klaagschrift ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd.
Ingevolge artikel 552a, lid 4, Sv – voor zover hier van belang – wordt, indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld, het klaagschrift ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming is geschied.
De rechtbank ziet zich, gelet op het bovenstaande, voor de vraag gesteld of de rechtbank Noord-Holland of de rechtbank Noord-Nederland bevoegd is van het klaagschrift kennis te nemen.
Desgevraagd heeft de officier van justitie in raadkamer meegedeeld dat sprake is van een groot onderzoek, waarin naast klager ook nog andere personen als verdachte zijn aangemerkt. Het zwaartepunt van het onderzoek ligt volgens de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland.
Gelet hierop en gezien de beschikking van de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Nederland van 10 december 2020, is de rechtbank – indachtig het bepaalde in artikel 552a, lid 3, Sv – van oordeel dat redelijke wetsuitleg ertoe leidt, dat het onderhavige klaagschrift door de rechtbank Noord-Nederland moet worden behandeld.
De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat, indien een klaagschrift is ingediend, de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit daarvan onverwijld in kennis dient te stellen, onder vermelding van de gronden van het klaagschrift.
Het ligt voor de hand dat dat in deze zaak door de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland wordt gedaan.
De rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren.
Voor de verdere procedure wijst de rechtbank het Openbaar Ministerie en klager op de arresten van de Hoge Raad van 7 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1227 en 1228).
3Beslissing
De rechtbank:
Verklaart zich onbevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.
Draagt de griffier op het klaagschrift ter verdere afdoening door te zenden naar de rechtbank Noord-Nederland (locatie Assen).
Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum
Deze beschikking is gegeven door:
mr. S. Jongeling, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E. Demiroz, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2021.
De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.