ECLI:NL:RBNHO:2021:2930
public
2021-04-29T14:33:31
2021-04-09
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2021-04-07
8909889 \ CV EXPL 20-10247
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verstek
NL
Haarlem
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:2930
public
2021-04-29T14:31:06
2021-04-29
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBNHO:2021:2930 Rechtbank Noord-Holland , 07-04-2021 / 8909889 \ CV EXPL 20-10247

Ambtshalve toetsing. Kinderopvang valt niet onder de uitzondering "sociale dienst" van artikel 6:230h lid 2 sub c BW. Korting van 25% wegens ontbreken toelichting artikel 6:230m BW.

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8909889 \ CV EXPL 20-10247

Uitspraakdatum: 7 april 2021

Verstekvonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap

Borus B.V.

gevestigd te Uithoorn

de eisende partij

gemachtigde: A.F. Damen

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

de gedaagde partij

procederend in persoon

1De verdere procedure

1.1.

Op 13 januari 2021 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. Voor het verloop van de procedure tot aan 13 januari 2021 wordt naar dit tussenvonnis verwezen.

1.2.

Bij akte van 10 februari 2021 heeft de eisende partij haar vordering nader toegelicht.

2De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 13 januari 2021 (hierna verder: het tussenvonnis) is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen.

2.2.

In het tussenvonnis is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om nader toe te lichten en te onderbouwen op welke wijze, waar en wanneer de overeenkomst tot stand is gekomen en daarnaast op welke wijze zij heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen.

2.3.

In haar akte heeft de eisende partij primair gesteld dat de bepalingen over de (pre)contractuele informatieverplichtingen niet van toepassing zijn op de onderhavige overeenkomst, nu in artikel 6:230h lid 2 sub c BW is bepaald dat de bepalingen uit Boek 6, Titel 5, Afdeling 2B BW niet van toepassing zijn op overeenkomsten betreffende sociale dienstverlening, waaronder kinderzorg. De kantonrechter volgt de eisende partij niet in haar stelling. Met “sociale diensten” wordt gedoeld op diensten die worden verleend aan mensen die bijzonder kwetsbaar zijn of een laag inkomen hebben, of mensen die een bijzondere behoefte hebben aan hulp, ondersteuning, bescherming en aanmoediging in een specifieke levensfase (overweging 29 Richtlijn 2011/83/EU). Deze diensten zijn uitgesloten omdat in deze situatie verdergaande bescherming voor de zwakkere partij wenselijk is. De (commerciële) kinderopvangovereenkomst die in deze zaak aan de orde is valt niet onder de definitie van een “sociale dienst”, derhalve is artikel 6:230h lid 2 sub c BW niet van toepassing.

2.4.

De eisende partij heeft gesteld dat de gedaagde partij een aanmelding heeft gedaan via de website van de eisende partij. De overeenkomst is vervolgens per post naar de eisende partij opgestuurd. De gedaagde partij heeft uiteindelijk op 29 juni 2019 de overeenkomst op de opvanglocatie ondertekend. Nu de eisende partij zich thuis via de website heeft aangemeld, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een overeenkomst op afstand gesloten. De kantonrechter zal daarom toetsen of de eisende partij aan haar (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft voldaan.

De (pre)contractuele informatieverplichtingen van artikelen 6:230m en 6:230v BW

2.5.

In haar akte heeft de eisende partij met verwijzing naar productie 1 bij dagvaarding toegelicht dat de essentiële informatie van artikel 6:230m lid 1 BW in de overeenkomst is opgenomen. Derhalve heeft de eisende partij voldoende onderbouwd op welke wijze zij heeft voldaan aan de informatieverplichtingen van artikel 6:230v BW, behoudens het vereiste van artikel 6:230m lid 1 onder f BW. Dit artikel vereist in samenhang met artikel 6:230v lid 1 BW dat de duur van de overeenkomst in de contractbevestiging staat vermeld. Als productie 1 bij dagvaarding zijn de kinderopvangovereenkomsten van de twee kinderen van de gedaagde partij overgelegd. In de eerste overeenkomst is de einddatum van de overeenkomst niet opgenomen, enkel de startdatum. De duur van de overeenkomst ontbreekt derhalve.

2.6.

Voor wat betreft de precontractuele informatieverplichtingen overweegt de kantonrechter als volgt. In het tussenvonnis is de eisende partij uitdrukkelijk verzocht om toe te lichten op welke wijze is voldaan aan de vereisten van artikel 6:230m lid 1 BW. De eisende partij heeft nagelaten om bij akte uitgebreid op dit punt in te gaan. Zij heeft enkel één schermafdruk van haar website overgelegd, zonder nadere toelichting. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de eisende partij onvoldoende onderbouwd op welke wijze zij heeft voldaan aan haar precontractuele informatieverplichtingen voorafgaand aan het moment van contractsluiting.

2.7.

Gelet op de jurisprudentie van het HvJ EU moet de kantonrechter aan de schending van de informatieverplichtingen gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. Met het oog op deze Europeesrechtelijke beginselen ziet de kantonrechter aanleiding om de overeenkomst gedeeltelijk te vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partijen verschuldigde prijs. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 en 3:41 BW, en/of aan de artikelen 6:193d en 6:193f BW, omdat de schending van de informatieverplichtingen ook een oneerlijke handelspraktijk is.

2.8.

Rekening houdend met de sanctie van 25% in verband met de schending van de informatieverplichting, is in totaal aan hoofdsom toewijsbaar een bedrag van € 5.818,73(€ 7.758,31 x 0,75).

2.9.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe de gedaagde partij kan worden veroordeeld, tot een bedrag van € 665,94.

2.10.

De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals onder de beslissing is opgenomen.

2.11.

De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de te nemen akte blijft echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra akte op te stellen.

3De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 6.484,67, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.818,73 vanaf de vervaldata van de verschillende facturen tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

€ 86,85 wegens dagvaardingskosten,

€ 499,00 wegens griffierecht en

€ 311,00 wegens salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter