Kanton erfrecht. Vaststelling salaris vereffenaar bij einde vereffening.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./repnr.: 8878835 EJ VERZ 20-405
Uitspraakdatum: 19 januari 2021
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Rijksvastgoedbedrijf)
gevestigd te Den Haag
verzoeker
verder de noemen: het Rijksvastgoedbedrijf
inzake
de nalatenschap van [erflaatster],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en overleden op [datum overlijden], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats].
1Het procesverloop
De vereffenaar heeft een verzoekschrift ingediend, bij de griffie ontvangen op 11 november 2020. Gelet op de aard van het verzoek is afgezien van een behandeling op een zitting.
2De feiten
Het Rijksvastgoedbedrijf is bij beschikking van 2 maart 2018 van deze rechtbank (locatie Haarlem) benoemd tot vereffenaar van de bovengenoemde nalatenschap.
3Het verzoek
Het Rijksvastgoedbedrijf verzoekt de kantonrechter in te stemmen met het eindigen van de vereffening (artikel 4:206 lid 5 van Burgerlijk Wetboek (BW)), zorg te dragen voor de inschrijving hiervan in het boedelregister (artikel 4:206 lid 6 BW) en de vereffeningkosten (vereffeningsloon) vast te stellen zoals opgegeven in de rekening en verantwoording (artikel 4:206 lid 3 BW).
4De beoordeling
Vereffeningskosten
Het verzochte salaris heeft betrekking op de periode van 2 maart 2018 tot en met 4 november 2020. Bij haar verzoek heeft het Rijksvastgoedbedrijf onder andere een urenverantwoording en rekening en verantwoording als bijlagen overgelegd.
Het door het Rijksvastgoedbedrijf voorgestelde tarief is conform de Recofa-richtlijnen. Gelet op de omvang van de nalatenschap en de overgelegde rekening en verantwoording, waarin onder meer melding wordt gemaakt van het feit dat de schuldeisers allemaal zijn betaald, acht de kantonrechter de overgelegde urenspecificatie voldoende concreet onderbouwd en ook redelijk. De verzochte vergoeding komt de kantonrechter dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Het verzoek zal dan ook worden toegewezen. Gelet op het voorgaande zal het loon van de vereffenaar worden vastgesteld op een totaal bedrag van € 2.763,25 inclusief btw.
Wat betreft de verzoeken om in te stemmen met het eindigen van de vereffening en zorg te dragen voor de inschrijving hiervan in het boedelregister overweegt de kantonrechter als volgt. De fase van de vereffening eindigt zonder nadere formaliteiten indien alle schulden van de nalatenschap zijn voldaan, alle tegoeden zijn ontvangen en geen goederen meer te
vereffenen vallen (artikel 4:221 lid 1 BW). Uit het verzoek blijkt dat van deze situatie sprake is. Er is dan ook geen grond voor toewijzing van deze verzoeken.
Overigens merkt de kantonrechter op dat het Rijksvastgoedbedrijf geen rekening en verantwoording en een uitdelingslijst hoeft neer te leggen, omdat alle hem voor de afloop van de in artikel 218 lid 1 BW bedoelde termijn bekend geworden schulden ten volle zijn voldaan (artikel 4:221 lid 2 BW).
5De beslissing
De kantonrechter:
stelt het bedrag van de gemaakte vereffeningskosten vast op € 2.763,25 inclusief btw,
bepaalt dat dit bedrag ten laste van de boedel zal worden gebracht,
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Rijn en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter