ECLI:NL:RBNNE:2021:1548
public
2021-04-23T13:46:24
2021-04-22
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2021-04-23
18/830085-20
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
NL
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:1548
public
2021-04-22T14:34:24
2021-04-23
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBNNE:2021:1548 Rechtbank Noord-Nederland , 23-04-2021 / 18/830085-20

Integrale vrijspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830085-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2021.

Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Rademacher.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 december 2019, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot

de afgifte van een of meer geldbedragen, te weten 1000 euro en/of 2270,67 euro

en/of 400 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen

een of meer geldbedragen, te weten 1000 euro en/of 2270,67 euro en/of 400

euro, en/of een laptop en/of een koptelefoon en/of een gitaar, in elk geval

van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke

diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij geld moest pinnen, en/of

- die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd dat hij/zij hem

en/of zijn familie, waaronder zijn moeder, vader en zusje zou/zouden afmaken

als hij niet mee zou werken, en/of

- die [slachtoffer] bij de keel heeft/hebben gegrepen;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 19 december 2019 tot en met 20 december

2019, in de gemeente Groningen en/of Leeuwarden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 2270,67 euro, de werkelijke

aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of heeft verhuld, en/of

- heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten

een geldbedrag van 2270,67 euro is en/of voorhanden heeft, en/of

- een voorwerp, te weten een geldbedrag van 2270,67 euro, heeft verworven,

voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van

voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat geldbedrag geheel of

gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 19 december 2019 tot en met 20 december

2019, in de gemeente Groningen, althans in Nederland, een voorwerp, te weten

een geldbedrag van 2270,67 euro, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat

voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde vermoedt de officier van justitie op grond van de bewijsmiddelen dat de onbekend gebleven medeverdachte - op het moment dat hij achter het internetbankieren van aangever zat - telefonisch contact heeft gehad met verdachte. Nu deze bijdrage in het afhandig maken van het geld van onvoldoende gewicht is om tot een bewezenverklaring te komen van een nauwe en bewuste samenwerking, dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van opzetwitwassen wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de opgevraagde bankgegevens, de camerabeelden bij de Rabobank en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie. Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking omdat uit de verklaring van verdachte blijkt dat een ander hem gevraagd heeft de rekening ter beschikking te stellen, die ander het geld naar de rekening heeft overgemaakt en verdachte het geld uiteindelijk heeft verkregen.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen die aangever tegenover de politie heeft afgelegd onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Ten aanzien van verdachte staat in dit verband (slechts) vast dat op 19 december 2019 een bedrag van € 2.270,67 is overgemaakt vanaf een rekening van aangever naar een rekening op naam van verdachte. Ook kan uit het dossier worden afgeleid dat het verdachte is die de volgende dag geldbedragen opneemt bij de Rabobank. De precieze toedracht en de omstandigheden waaronder het geld naar verdachte is overgemaakt zijn voor de rechtbank echter onduidelijk gebleven.

Nog daargelaten dat het aandeel van verdachte naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is voor het kunnen aannemen van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen van het primair ten laste gelegde. Dit betekent dat de rechtbank verdachte hiervan zal vrijspreken. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte eveneens vrijspreken van het meer subsidiair ten laste gelegde nu op grond van het dossier evenmin kan worden bewezen dat het geldbedrag dat is overgemaakt naar de rekening van verdachte afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank tot slot als volgt. Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis/420quater, eerste lid, onder a/b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Hoewel verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij geld heeft geaccepteerd van een verdachte transactie, is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het geldbedrag dat aan verdachte is overgemaakt - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.900,51 ter vergoeding van materiële schade en € 7.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, toepassing van de hoofdelijkheidsclausule en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering ter hoogte van de ten onrechte overgemaakte/ afgegeven bedragen wordt toegewezen tot een bedrag van

€ 2.204,67 met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overige materiële kosten, te weten de reis- en verblijfkosten, huur aanhangwagen, vervanging gestolen spullen, dubbele maand huur, kosten voor slaapmedicatie en behandeling bij de psycholoog, in rechtstreeks verband staan met de afpersing en diefstal met geweld in vereniging. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen. Het smartengeld dient te worden gematigd tot een bedrag van € 5.000,-.

De toegekende bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarnaast dienst de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde, waaruit de schade zou zijn ontstaan, niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair (cumulatief/alternatief ten laste gelegde), subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en

mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2021.