Wraking. Gewraakte rechter was rechter in een eerdere zaak.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Wrakingskamer
Zaaknummer: WR 21/011
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 1 april 2021
Op 1 april 2021 is de meervoudige wrakingskamer bestaande uit mrs. H.M.H. de Koning (voorzitter), J.M.J. Godrie en N. Flikkenschild (leden), bijgestaan door griffier mr. D.P. Jansen, overgegaan tot het houden van de mondelinge behandeling op het verzoek van
[verzoeker] ,
verblijvende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. A.P.G.M. Schreurs te Tilburg
strekkende tot wraking van
mr. E.C.M. de Klerk,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
De zitting heeft plaatsgevonden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch.
Op de mondelinge behandeling zijn verschenen:
-
mevrouw mr. A.P.G.M. Schreurs;
-
de rechter.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de wrakingskamer de volgende mondelinge uitspraak gedaan.
1De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
Voorts geldt dat de omstandigheid dat het optreden van een rechter in een andere procedure waarbij een verzoeker betrokken is (geweest) op zichzelf geen grond oplevert voor toewijzing van een wrakingsverzoek.
Aan deze uitgangspunten doet niet af dat de rechter op 24 februari 2021 uitspraak heeft gedaan in de klachtzaak van verzoeker tegen zijn langdurig verblijf in de separeerruimte (waarbij die klacht is afgewezen) en drie weken later, op 17 maart 2021, ter zitting het verzoek heeft behandeld tot het verlengen van de zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek.
Gezien de vorige overwegingen komt de wrakingskamer tot de conclusie dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.
2De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Waarvan proces-verbaal.
de griffier de voorzitter