De rechtbank Overijssel wijst de ontnemingsvordering van ruim 45.000 euro af.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08/760218-17
Datum vonnis: 10 februari 2021
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 45.243,54.
2De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 27 januari 2021.
De veroordeelde, bijgestaan door haar raadsvrouw J. Klomp, advocaat in Enschede, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie mr. M. Hoekstra heeft gevorderd dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen, aangezien uit het dossier niet is gebleken dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit:
1 subsidiair
het misdrijf: medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde is begaan.
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er, op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, niet voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het hiervoor bedoelde feit waarvoor zij is veroordeeld. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie daarom afwijzen.
4De beslissing
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en mr. V. Wolting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Potgieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2021.
Buiten staat
De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.