ECLI:NL:RBROT:2021:1400
public
2021-03-03T10:00:19
2021-02-23
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-02-25
8924088 CV EXPL 20-6287
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Rotterdam
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:1400
public
2021-02-23T15:56:53
2021-03-03
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBROT:2021:1400 Rechtbank Rotterdam , 25-02-2021 / 8924088 CV EXPL 20-6287

Zorgverzekeringszaak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8924088 CV EXPL 20-6287

uitspraak: 25 februari 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

VGZ Zorgverzekeraar N.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

die in persoon procedeert.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘VGZ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 10 november 2020, met producties;

  2. de conclusie van antwoord;

  3. de akte uitlaten van de zijde van VGZ;

  4. de akte uitlaten van [gedaagde] , bestaande uit de aantekeningen van de griffier ter rolzitting.

Het vonnis is bepaald op heden.

2.De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[gedaagde] heeft bij VGZ een zorgverzekering afgesloten zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] premie, eigen risico, eigen bijdrage en eventueel niet voor vergoeding in aanmerking komende maar wel voorgeschoten zorgkosten verschuldigd.

3.Het geschil

3.1

VGZ vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan VGZ van een bedrag van € 419,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 november 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de btw.

3.2

VGZ legt nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst ten grondslag. [gedaagde] is gehouden om premie en eventueel voorgeschoten maar niet voor vergoeding in aanmerking komende zorgkosten te betalen. [gedaagde] heeft niet aan deze verplichting voldaan voor de zorgbehandeling op 23 oktober 2018, waarvan de kosten van € 346,40 zijn gefactureerd op 10 april 2019. De achterstand bedraagt inclusief rente en kosten € 419,73.

3.3

[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten en proceskosten betwist. Hierop wordt voor zover van belang in deze procedure in het navolgende ingegaan.

4.De beoordeling

4.1

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] de zorgkosten van € 346,40 is verschuldigd. De vordering wordt voor dit deel dan ook toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2

[gedaagde] betwist dat hij de factuur of enige aanmaning via brief of e-mail heeft gehad, zodat VGZ niet in redelijkheid in dagvaarding over kon gaan en hij de buitengerechtelijke kosten en proceskosten niet is verschuldigd. [gedaagde] motiveert zijn betwisting door te wijzen op problemen die hij ondervindt met de postbezorging, waardoor geen enkele van de door VGZ overgelegde brieven op het huisadres is bezorgd. Op basis van de stellingen van VGZ kan niet worden vastgesteld dat de door VGZ gestelde brieven of e-mailberichten [gedaagde] ook daadwerkelijk hebben bereikt aangezien er geen bewijs van verzending is overgelegd. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld of de veertiendagenbrief van [gedaagde] heeft bereikt. Om die reden kunnen de door VGZ gevorderde buitengerechtelijke kosten niet worden toegewezen.

4.3

VGZ heeft wel twee e-mailberichten overgelegd met daarbij de datum van verzending en [gedaagde] niet heeft betwist dat deze zijn verzonden aan een e-mailadres dat aan hem toebehoort. [gedaagde] had om die reden bekend kunnen zijn met de vordering. VGZ heeft dan ook op goede gronden tot dagvaarding over kunnen gaan, zodat [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten.

5.De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] aan VGZ te betalen een bedrag van € 356,86, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 346,40 vanaf 10 november 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VGZ vastgesteld op € 124,- aan griffierecht, € 105,09 aan dagvaardingskosten en € 150,-, te vermeerderen met de btw, aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41645