ECLI:NL:RBROT:2021:1759
public
2021-03-05T11:06:55
2021-03-03
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-02-19
8640448 CV EXPL 20-23765
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Rotterdam
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:1759
public
2021-03-05T11:06:16
2021-03-05
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBROT:2021:1759 Rechtbank Rotterdam , 19-02-2021 / 8640448 CV EXPL 20-23765

Door factuur zonder voorbehoud te betalen heeft gedaagde de verschuldigdheid daarvan erkend.

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8640448 CV EXPL 20-23765

uitspraak: 19 februari 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[eiseres]

,

gevestigd te [plaats 1] ,

eiseres,

gemachtigde: Bill incasso B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

h.o.d.n. [handelsnaam 1] t.h.o.d.n. [handelsnaam 2] ,

wonende en zaakdoende te [plaats 2] ,

gedaagde,

die procedeert in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1.Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

• de dagvaarding van 29 juni 2020, met producties;

• de aantekeningen van de griffier van het telefonische antwoord van [gedaagde] , alsmede zijn aanvullende schriftelijke verweer, met producties;

• de conclusie van repliek, met een productie;

• de conclusie van dupliek, met producties;

• de akte van de zijde van [eiseres] .

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2.Het geschil

2.1

[eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 215,49, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 1.200,- vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2

[eiseres] heeft nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten aan haar vordering ten grondslag gelegd. In opdracht van [gedaagde] heeft zij diverse objecten getaxeerd. De facturen inzake de taxaties zijn conform afspraak aan [naam bedrijf] , de eenmanszaak van [gedaagde] , gericht. Ondanks aanmaningen heeft [gedaagde] de facturen met factuurnummers 2019-0874, 2019-0898 en 2019-0905 niet tijdig voldaan. Op 28 januari 2020 heeft [gedaagde] de kale hoofdsom betaald, waardoor alleen de kosten nog resteren.

2.3

[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiseres] . Hij voert daartegen aan dat hij het verschuldigde bedrag volledig heeft voldaan en daarom niets meer verschuldigd is aan [eiseres] . Bovendien heeft [gedaagde] de opdrachten niet verstrekt aan [eiseres] . De nota’s hadden op naam van de opdrachtgevers moeten staan en zijn naar een onjuist adres gestuurd.

3.De beoordeling

3.1

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] op 28 januari 2020 een bedrag van € 1.200,- aan [eiseres] heeft betaald. Gesteld noch gebleken is dat deze betaling betrekking heeft op een andere verplichting of dat [gedaagde] de betaling heeft verricht onder het voorbehoud dat hij de vordering niet erkende. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de betaling van [gedaagde] dat hij hiermee de verschuldigdheid van de facturen met factuurnummers 2019-0874, 2019-0898 en 2019-0905 heeft erkend. De vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen is uit hoofde waarvan [gedaagde] een betalingsverplichting jegens [eiseres] heeft, behoeft derhalve geen bespreking en beoordeling en kan buiten beschouwing blijven.

3.2

[eiseres] heeft bij dagvaarding gesteld dat met inachtneming van de betaling van € 1.200,- de hoofdsom is betaald. Thans staat daarom nog slechts ter beoordeling of [gedaagde] de gevorderde wettelijke handelsrente en/of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.

3.3

Ten aanzien van de gevorderde rente merkt de kantonrechter allereerst het volgende op. Uit de dagvaarding volgt dat [eiseres] de verschenen wettelijke rente heeft berekend tot de datum van de dagvaarding. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat dat de woorden ‘wettelijke handelsrente per jaar over € 1.200,00 berekend vanaf 01 april 2020 tot de dag der algehele voldoening’ als opgenomen in het petitum van de dagvaarding een kennelijke schrijffout betreffen en dat hiermee wordt bedoeld ‘wettelijke handelsrente per jaar over € 1.200,00 berekend vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening’.

3.4

Met inachtneming van het voorgaande wordt de gevorderde wettelijke rente toegewezen, nu daartegen geen verweer is gevoerd.

3.5

[eiseres] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] is buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, als [eiseres] hem een aanmaning heeft gestuurd en [gedaagde] naar aanleiding daarvan niet tijdig tot betaling is overgegaan. [gedaagde] stelt dat de nota’s en brieven van [eiseres] naar een verkeerd adres zijn gestuurd, waardoor hij deze niet heeft ontvangen. Ook de ontvangst van de bij dagvaarding overgelegde brief van 16 januari 2020, waarin wordt verzocht alsnog binnen vijf dagen na dagtekening van de brief tot betaling over te gaan, wordt door [gedaagde] betwist.

3.6

Op grond van het bepaalde in artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nu [gedaagde] de ontvangst van de brief van 16 januari 2020 betwist, ligt het op de weg van [eiseres] om feiten en/of omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de brief wel bij [gedaagde] is aangekomen (zie HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391). [eiseres] heeft dat echter niet gedaan. Hierdoor kan niet vast komen te staan dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

3.7

Aangezien beide partijen voor een deel in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 35,49, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over een bedrag van € 1.200,- vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416