ECLI:NL:RBROT:2021:222
public
2021-01-18T15:23:48
2021-01-18
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-01-06
C/10/610804 / KG ZA 21-1 (voorlopige voorziening) C/10/610802 / FA RK 21-1 (beroep)
Beschikking
NL
Rotterdam
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:222
public
2021-01-18T15:23:06
2021-01-18
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBROT:2021:222 Rechtbank Rotterdam , 06-01-2021 / C/10/610804 / KG ZA 21-1 (voorlopige voorziening) C/10/610802 / FA RK 21-1 (beroep)

“Het beroep is ongegrond. De voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Het beroep is ingesteld door achterblijfster en ziet op de oplegging van een huisverbod.

Voor de voorzieningenrechter staat voldoende vast dat sprake was van gevaar dan wel een ernstig vermoeden daarvan zodat verweerder bevoegd was het huisverbod op te leggen.

Verweerder heeft ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat van het uitgangspunt van het huisverbod, dat er rust moet komen voor alle betrokkenen, moet worden afgeweken. Het standpunt van verzoekster dat de termijn van het huisverbod van negentig dagen buitensporig is, moet berusten op een misverstand nu het huisverbod is opgelegd voor een termijn van tien dagen. Omdat nog geen daadwerkelijke aanvang met de hulpverlening is gemaakt, is het gevaar nog niet geweken en bestaat er geen aanleiding om het huisverbod nu op te heffen.”

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Reg.nrs.: C/10/610804 / KG ZA 21-1 (voorlopige voorziening)

C/10/610802 / FA RK 21-1 (beroep)

Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

6 januari 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen

[naam verzoekster] , verzoekster,

wonende te [adres verzoekster] ,

in persoon.

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. I. Plaisier,

in welke zaken belanghebbende is:

[naam uithuisgeplaatste] ,

wonende te [adres uithuisgeplaatste] ,

hierna de uithuisgeplaatste.

1. Ontstaan en loop van de procedure

1.1.

Bij besluit van 27 december 2020 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan [naam uithuisgeplaatste] (de uithuisgeplaatste).

1.2.

Bij brief van 30 december 2020, ingekomen op 4 januari 2021, heeft verzoekster beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.3.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2021. Aanwezig waren:

 verweerder, vertegenwoordigd door de gemachtigde;

 Veilig Thuis, vertegenwoordigd door [naam] .

Verzoekster noch uithuisgeplaatste zijn verschenen.

2. Beslissing

2.1.

De voorzieningenrechter:

 verklaart het beroep ongegrond,

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

3. Overwegingen

3.1.

Het beroep/verzoekschrift huisverbod

3.1.1.

Verzoekster heeft op het formulier beroep/verzoekschrift huisverbod alleen aangekruist dat het om een verzoekschrift voorlopige voorziening gaat. Een verzoek om voorlopige voorzieningen kan echter niet worden ingediend zonder beroepschrift. Gelet op de inhoud van het verzoekschrift, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat verzoekster ook bedoeld heeft beroep tegen het opgelegde huisverbod in te stellen zodat dit formulier tevens wordt opgevat als een beroepschrift tegen het opgelegde huisverbod. In zoverre is verzoekster ontvankelijk in het beroep en verzoek.

3.2.

Weergave bestreden besluit, verzoek en beroep

3.2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan de uithuisgeplaatste een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van de uithuisgeplaatste in de woning van verzoekster (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

3.2.2.

Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen voor de resterende duur van het bestreden besluit en het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen.

3.3.

Kortsluiten met afwijzen verzoek voorlopige voorziening

3.3.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.3.2.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.3.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

3.4.

Spoedeisend belang

3.4.1.

Verzoekster heeft door het opgelegde huisverbod geen contact met de uithuisgeplaatste. Het spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorziening is daarmee gegeven.

3.5.

Beoordeling gronden

3.5.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, voor zover hier van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden

blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen.

3.5.2.

Verzoekster betwist niet dat sprake was van gevaar dan wel een ernstig vermoeden daarvan op 27 december 2020. Zij stelt zelf de politie te hebben gebeld omdat uithuisgeplaatste dreigend overkwam. Zij stelt verder dat het goed was dat een time out werd opgelegd. Voor de voorzieningenrechter staat voldoende vast dat sprake was van een geweldsincident waardoor verzoekster overstuur was en letsel heeft opgelopen. Ook blijkt uit de overlegde politiemutaties dat eerder sprake is geweest van hoogoplopende ruzies en spanningen tussen verzoekster en de uithuisgeplaatste waaronder op 22 november 2020 en 25 december 2020. In het licht van het vorenstaande staat voor de voorzieningenrechter voldoende vast dat sprake was van gevaar zodat verweerder bevoegd was het huisverbod op te leggen.

3.5.3.

Verweerder heeft ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid een huisverbod op te leggen aan de uithuisgeplaatste. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat het uitgangspunt van het huisverbod is dat er rust moet komen voor de betrokkenen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgewezen. Deze omstandigheden doen zich hier niet voor. In tegendeel verzoekster ging juist akkoord met een time out en de uithuisgeplaatste wilde niet meer in de woning blijven. Verzoekster meent dat de termijn van het huisverbod van negentig dagen buitensporig is. Het huisverbod is echter opgelegd voor een termijn van tien dagen, dus de door de verzoekster genoemde negentig moet berusten op een misverstand.

3.5.4.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of er op dit moment reden bestaat het huisverbod op te heffen. Hiertoe ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Er heeft weliswaar een partnergesprek tussen verzoekster en de uithuisgeplaatste plaatsgevonden bij Veilig Thuis, maar er is nog geen daadwerkelijke aanvang met hulpverlening gemaakt. Het gevaar is daarom nog niet geweken. De voorzieningenrechter heeft wel het idee dat partijen openstaan voor hulpverlening, maar het is op dit moment onvoldoende duidelijk of die bereidheid blijft en wat de inzet van partijen daarbij is. Van Veilig Thuis heeft de voorzieningenrechter vernomen dat het bij de vrouw aan inzicht lijkt te ontbreken wat de gevolgen van de wijze van communiceren tussen partijen zijn en hoe escalaties kunnen worden voorkomen. Bovendien lijkt verzoekster zo afhankelijk te zijn van de uithuisgeplaatste dat dit tot een ongelijkwaardige relatie leidt en speelt alcoholproblematiek een rol in de spanningen tussen partijen. Het vorenstaande maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het gevaar nog niet is afgenomen.

3.5.5.

Het voorgaande betekent dat de beroep ongegrond is.

3.5.6.

Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

3.5.7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: