Dienstenovereenkomst - Nakoming van de verbintenissen uit de overeenkomst - Vordering tot betaling toegewezen.
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 8982346 CV EXPL 21-3003
uitspraak: 23 april 2021
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van:
[eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen,
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.
1.Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 7 januari 2021, met bijlagen;
-
het antwoord van [gedaagde] ;
-
het tussenvonnis van 8 februari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
-
de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021.
Hoewel behoorlijk opgeroepen is [gedaagde] niet op de mondelinge behandeling verschenen. Het vonnis is bepaald op heden.
2.De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.
[eiseres] is een eenmanszaak die onder meer werkzaam is in sales en de ondersteuning, adviesverlening en het schrijven van redactionele stukken ten behoeve van film- en tv-productie.
[gedaagde] is een besloten vennootschap die werkzaam is in de productie van televisieprogramma’s.
[eiseres] heeft diensten geleverd aan [gedaagde] in de vorm van redactie en sales, en heeft hiervoor op 22 juni 2020 een factuur gestuurd aan [gedaagde] voor een bedrag van € 907,50 inclusief btw.
[gedaagde] heeft, ondanks meerdere aanmaningen, dit bedrag tot op heden niet betaald aan [eiseres] .
3.Het geschil
[eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.043,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 907,50 vanaf 6 juli 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.
[eiseres] legt aan haar vordering tot betaling nakoming van de verbintenissen uit de overeenkomst ten grondslag. Partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] voor € 1.500,- exclusief btw per maand haar diensten zou verlenen aan [gedaagde] . Omdat [eiseres] deze diensten twee weken heeft uitgevoerd heeft zij slechts die weken in rekening gebracht bij [gedaagde] . Dit komt neer op een bedrag van € 750,- exclusief btw (€ 907,50 inclusief btw). [gedaagde] is tevens buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente verschuldigd.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang – hierna worden ingegaan.
4.De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat er tussen hen sprake was van een dienstenovereenkomst, dat [eiseres] de overeengekomen diensten heeft geleverd en dat [gedaagde] op enig moment [eiseres] € 907,50 inclusief btw zou moeten betalen voor de door haar geleverde diensten.
[gedaagde] betwist de vordering en voert in dit kader het volgende aan. De afspraak is dat [gedaagde] pas dient te betalen als de door [eiseres] binnengebrachte klant heeft betaald. [gedaagde] heeft dit geld namelijk nodig om [eiseres] te kunnen betalen. Omdat de door [eiseres] binnengebrachte klanten (nog) niet hebben betaald, hoeft [gedaagde] dit ook (nog) niet te toen. Hier staat het volgende, door [eiseres] gestelde, tegenover. Ter zitting verklaart [eiseres] dat [gedaagde] voor haar diensten omgerekend € 375,- exclusief btw per week zou betalen, ongeacht het betalingsgedrag van de door haar binnengebrachte klanten. [eiseres] heeft tevens een aanvullende productie in het geding gebracht, waaruit blijkt dat een door haar aangedragen klant de helft van haar factuur aan [gedaagde] heeft betaald op 13 augustus 2020. Ook op het door [eiseres] gestelde ultimatum van 22 augustus 2020 heeft [gedaagde] nagelaten [eiseres] (deels) te vergoeden voor haar diensten.
Als volgt wordt overwogen. Met het door [eiseres] gestelde is voldoende komen vast te staan dat partijen een overeenkomst hadden en dat [gedaagde] [eiseres] € 907,50 diende te betalen voor haar diensten. [gedaagde] heeft betwist dat dit bedrag al opeisbaar is, nu de klanten volgens haar nog niet betaald hebben. [gedaagde] heeft echter nagelaten deze betwisting nader te motiveren met feiten en/of omstandigheden. Daar komt bij dat een van de klanten van [gedaagde] blijkbaar wel een (deel)betaling heeft verricht, maar dat deze nimmer is doorbetaald aan [eiseres] . Tot slot heeft [eiseres] whatsappberichten van [gedaagde] in het geding gebracht, waarin [gedaagde] verklaart dat zij probeert te betalen, maar dat zij hierin afhankelijk is van haar klanten. Er lijkt hier sprake te zijn van betalingsonmacht van [gedaagde] , in plaats van het nakomen van een door partijen gemaakte afspraak. Deze (mogelijke) betalingsonmacht dient echter voor rekening en risico van [gedaagde] te vallen. Het verweer van [gedaagde] zal daarom worden verworpen. De vordering zal worden toegewezen.
De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, nu daartegen geen nader verweer is gevoerd.
[eiseres] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende gebleken is dat voldaan is aan de wettelijke vereisten, zodat ook het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
Dit vonnis wordt zoals [eiseres] vordert ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat [gedaagde] aan de veroordelingen moet voldoen en dat zij de aan [eiseres] toegekende vergoeding moet betalen aan [eiseres] , ook als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis. Voor zover dit mogelijk zou zijn.
5.De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.043,63, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over een bedrag van € 907,50 vanaf 6 juli 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 240,- aan griffierecht, € 88,27 aan dagvaardingskosten en € 124,- (1 punt x € 124,- per punt) aan salaris voor de gemachtigde;
en indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na vandaag vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met € 62,- aan salaris en een bedrag aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. van Gastel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
44236